Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
414 LXXXVII. DE EERSTE MARTELAAR.
415
een vierde der bevolking uit; en te Alexan-
drië waren twee wijken der stad door
hen bewoond. Wij hooren van Cyreneïsche
Joden in Mark. XV : 21; Hand. XHI : 1.
(c) Dat der Cilicische en Aziatische Joden
(«Azië» beteekent, in het N. Testament,
eene provincie van het Romeinsche rijk,
welke ongeveer een derde gedeelte, het
westelijk uiteinde, van hetgeen wij Klein-
Azië noemen, bevatte).
3. Vers 15 kan beteekenen, dat het
aangezicht van Stefanus zoo kalm was,
dat het het aangezicht eens engels scheen
te zijn, of dat het eene bovennatuurlijke
heerlijkheid had. Alford pleit met veel
kracht voor de waarschijnlijkheid van
het laatste, en haalt de volgende woorden
van Chrysostomus aan:
« Het schijnt mij toe, dat God hem
zulk een schoon voorkomen gegeven
heeft, om wellicht den weg te bereiden
voor zijne toespraak. ... Of misschien
vermeldt de Evangelist het om te verklaren,
waarom zij zijne toespraak duldden; want
merkt gij wel op, hoe bescheiden de
Hoogepriester de vraag doet?^»
4. Het volgende geeft eene korte schets
van de toespraak van Stefanus:
«Hij schijnt een tweevoudig doel op
het oog gehad te hebben: ten eerste, te
bewijzen, dat de beschuldiging tegen hem
op de verkeerde begrippen rustte, welke
zijne beschuldigers van de oude bedeeling
hadden; en ten tweede, dat de Joden,
door te weigeren den Profeet te ontvangen,
van wien Mozes voorspeld had, en door
zijne aanhangers te vervolgen, dienzelfden
geest vau ongeloof en opstand toonden
te hebben, welke hunne vaderen er zoo
dikwijls toe gebracht had om den wil van
God te weerstaan, en Zijne grootste gunst-
bewijzen te verwerpen. Zich beroepende
op de geschiedenis huns volks, waarop
zij zich zoozeer beroemden, toont hij hun
aan, dat er vooruitgang is in al Gods
handelingen met het uitverkuren volk,
waardoor veranderingen tot stand kwamen,
die dikwijls op het oogenblik zelf verkeerd
werden begrepen; en hij gaat die verande-
ringen van woonplaats, land en uitwendige
organisatie na in de geschiedenis van
Abraham, Jozef, Mozes, tot David toe. Hij
wijst er hun op, dat de Tempel, voor
welks eer zij zoo ijverden, niet bestaan
had vóór Salomo, en dat, bij de wijding
zoowel als naderhand, het volk gewaar-
schuwd was geworden om toch niet te
veronderstellen, dat Gods tegenwoordig-
heid zich tot dien Tempel beperkte. In
verband hiermede toont hij nogmaals en
nogmaals, met klimmend vuur, dat door
alle tijden heen de Israëlieten ontrouw
waren geweest aan het hun toevertrouwde
pand, dat zij zich verzet hadden tegen
hunne geestelijke onderwijzers, die allen,
evenals hij, deu geestelijken zin der Mozaï-
sche bedeeling hadden geleerd ».
5. Er zijn eeuige moeilijkheden in de
toespraak van Stefanus, ten gevolge van
schijnbare tegenstrijdigheden tusschen zijne
uitspraken en die van Genesis. De belang-
rijkste hiervan is in vers 16, waar er eene
verwarring schijnt te bestaan tusschen
Abraham en Jakob, Machpela en Sichem.
Dat Stefanus twee zulke welbekende voor-
vallen verwisseld zou hebben (hetgeen de
gewone uitlegging is), schijnt ongelooflijk.
Toch, indien dit zoo ware, zou zelfs hij,
die het strengste begrip van Goddelijke
ingeving had, er geen aanstoot aan kunnen
nemen, want alles, wat hiervoor vereischt
wordt, is, dat Lukas nauwkeurig vermeldt
hetgeen Stefanus gesproken heeft.
Het is misschien noodig op te merken,
dat in vers 45 «Jezus» niet de Heer is,
maar Jozua (zooals ook in Hebr. IV : 8).
De twee namen zijn dezelfde; «Jezus» is
de Grieksche vorm en «Jozua» de He-
breeuwsche.
6. De plotselinge uitbarsting van ver-
ontwaardiging en de aanklacht van Stefanus
in vers 51 werden zeker veroorzaakt door
de toornige blikken, het tandenkn'ersen en
het onstuimige roepen van den Raad.
7. Het is opmerkenswaard, dat alleen hier
Christus wordt voorgesteld als staande
aan Gods rechterhand. Op andere plaatsen
is het altijd zittende; zie Ps. CX : 1;
Hebr. X: 12. Chrysostomus zegt: Waarom
staande en niet zittende? Opdat Hij door
Zijne houding toone, dat Hij den martelaar
wd helpen. Want van den Vader wordt
ook gezegd «God zal opstaan». Ook hier
alleen wordt de naam, dien de Heer Zich-
zelven geeft, «de Zoon des Menschen»,
door een ander gebruikt. (In Openb. I is
de beteekenis verschillend). Stefanus deed
dit zeker om den Raad nog levendiger te
herinneren aan de woorden van Jezus,
toen Hij voor hunne rechtbank beschul-
digd werd.
8. Steenigen was de gewone wijze,