Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
414
LXXXVII. DE EERSTE MARTELAAR. 414
XXHI : 46. (c) Hij bad voor zijne moor-
denaren, VH : 60; verg. Luk. XXIH : 34.
V. Het schoone voorbeeld, dat
Stefanus ons geeft.
Hebben wij dit niet reeds gezien ? Indien
Stefanus op Christus geleek, dan moeten
wij gelijken op Stefanus; verg. 1 Cor. XI: 1.
Maar hoe kunnen wij dit? — Zullen wij
waarschijnlijk evenzoo moeten lijden als
hij? Neen, maar, zooals wij reeds vroeger
gezien hebben, is 2 Tim. III ; 12 altijd
waar; wij kunnen dus ook in zekeren
zin « martelaren » zijn — geen stervende,
maar levende martelaren — gereed om
alles te dragen, veel of weinig, om Christus'
wil.
Gelijken wij nu op Stefanus? Wij zullen
drie vragen doen.
Hebben ivij zijn geloof? Hij kon zijne
oogen omhoog heffen en Jezus zien, die
bereid was hem te helpen. Kunnen wij
dit? Niet met onze lichamelijke oogen —
hoe dan? 1 Petr. I : 8.
Hebben wij dezelfde verwachting als
hij? Kunnen wij vooruitzien en weten,
dat, wanneer en hoe wij ook sterven, de
Heer Jezus «onzen geest zal ontvangen»?
Hebben wij zijne liefde? Wat gevoe-
len wij ten opzichte van hen, die onzen gods-
dienst haten? Zouden wij bidden zoo-
als hij?
De naam «Stefanus» beteekent «kroon»;
en hij ontving eene « kroon des levens ».
Openb. H : 10. Wie kunnen ook zulke
kronen ontvangen? Zie 2 Tim. IV : 8.
Aanteekeningen.
1. Vers 7 van hoofdst. VI schijnt het
glanspunt van aanzien en uitwendige ont-
wikkeling der Kerk te Jeruzalem aan te
duiden. Van dezen tijd af staat zij bloot
aan meer openlijke en hevige vervolgin-
gen. De oorzaak ligt voor de hand. Tot
nog toe waren de voornaamste tegen-
standers der Apostelen de Saduceën ge-
weest, en dit alleen had gemaakt, dat de
Farizeën (onder de leiding van Gamaliel)
met verdraagzaamheid op hen neerzagen;
maar de prediking van Stefanus was
rechtstreeks tegen het Farizeïsme gericht.
De beschuldiging tegen hem toont aan,
dat hij duidelijk zag en met stoutmoedig-
heid verkondigde, dat de Kerk over de
geheele wereld verbreid en niet beperkt
zou worden tot het Joodsche volk, of tegen-
gehouden door Joodsche gewoonten (Verg.
VH : 48); en dit wekte natuurlijk de
vijandschap der Farizeëu op.
2. De Grieksche Joden waren de uitland-
sche « Joden der verstrooiing », die door
taal, gewoonten en stand — kortom in
alles, behalve afstamming en godsdienst —
meer Grieken dan Joden waren; zij ge-
bruikten ook de Grieksche vertaling der
Zeventigen van het Oude Testament.
Deze « Hellenisten », zooals zij nu dik-
wijls genoemd worden, waren veel min-
der gebonden aan de Farizeesche over-
leveringen en veel toegankelijker voor
den invloed der Heidensche gedachten-
wereld dan de Joden van Palestina; en
het verschil van meening en leefregel was
de oorzaak van veel afgunst tusschen deze
twee oiiderdeelen van het Joodsche volk.
De Joden van Palestina noemden zich in
het bijzonder de a Hebreën ».
De verschillende groepen van Helle-
nisten of uitlandsche Joden hadden elk
hunne eigen Synagoge te Jeruzalem, en
blijkbaar hadden drie der aldus gevorm-
de kerkgenootschappen zich vereenigd om
den weisprekenden jongen Hellenistischen
diaken aan te vallen: — (a) Dat der Li-
bertijnen of vrijgemaakten, d. w. z.
(waarschijnlijk) Joden, die gevankelijk
naar Rome gevoerd waren geworden door
Pompejus en andere generaals, en daar
hunne vrijheid verdiend of ontvangen
hadden. Ongeveer achttien jaar vóór het
martelaarschap van Stefanus werd aan
deze Joodsche vrijgelatenen bevolen Rome
te verlaten, en velen hunner begaven
zich natuurlijk naar Jeruzalem, om daar
eene «Synagoge» samen te stellen. (Dit
woord wordt, evenals ons woord c Kerk
zoowel voor de plaats van godsdienstoefening
als voor de geloovigen zeiven gebruikt), (p)
Dat der Afrikaansche Joden. Dezen waren
zeer talrijk. Te Cyrene maakten de Joden