Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
412
LXXXVII. DE EERSTE MARTELAAR. 412
openbaren maaltijd, die dagelijks voor
velen verschaft werd. Het was geen voor-
naam werk, zooals van de Apostelen —
het was echter nuttig al was het nederig.
Wat hij bovendien deed, vers 8 —
« wonderen en groote teekencn». Misschien,
indien hij bij eene weduwe kwam, die
lijdende was, genas hij haar; een andere,
die weende over haar ziek kind, verheugde
hij, door aan haren lieveling de gezond-
heid terug te geven. Hoe kon hij zulke
dingen doen? — «vol van kracht» — welke
kracht ? De nederige diaken werd dus spoe-
dig beroemd. En ook vol wijsheid, vers 3.
Hoe bleek dit? Stefanus was een Hel-
lenist of uitlandsche Jood (Aant. 2) —
zijn arbeid was veel onder de geloovige
Hellenisten (vers 1) — gedurig kwam hij
in aanraking met ongeloovigen (zie Aant. 2);
zouden zij hem genegen zijn, die hen
verlaten had om zich bij de Nazareners
te voegen en zulk een invloed te ver-
krijgen? Wat deden zij dus? vers9. Zon-
der twijfel waren velen hunner zeer kun-
dig — dachten, dat zij hem gemakkelijk
van zijn ongelijk konden overtuigen —
was dit zoo? vers 10. Vanwaar die «mond
en wijsheid»? zie Luk. XXI : 15 — juist
hetgeen Jezus beloofd had. Maar overtuigde
hij hen? Ach neen, — zij worden tot
zwijgen gebracht, maar nu spannen zij
tegen hem samen.
Eensklaps wordt Stefanus gevangenge-
nomen, vers 12. Evenals de Apostelen kort
geleden (IV : 3, V : 18); toch een groot
verschil — toen was het volk tegen de
aanklagers (IV : 21, V : 26) — nu met
hen; hoe komt dit? omdat de vijanden
van Stefanus hem gelasterd hebben — hoe?
vers 11 (Zie Aant. 1),
II. Het verhoor van Stefanus.
De aanklacht. Welke was zij? vs. 13,
14. Was zij waar? Gedeeltelijk, ja;onge-
twijfeld had hij deze dingen gezegd, want
waren zij niet waar? Luk. XXI : 6, 24,
27; Gal. IV : 24, 25; Hebr. VIH : 7, 13,
X : 9. Gedeeltelijk niet: want (1) zij waren
niet godslasterlijk, (2) het was niet alles,
wat hij gezegd had. Hoe neemt Stefanus
de aanklacht op? — Zie zijn gelaat (Foor-
beeld. — Sombere, schuldige, vertwijfe-
lende blikken van de gevangenen voor de
rechtbank) — zie vers 15, geene vrees, geen
toorn, geen twijfelmoedigheid — moedig,
opgeruimd, kalm en nog meer—het aan-
gezicht van den «lasteraar» van Mozes blinkt
als Mozes' aangezicht! (Exod. XXXIV : 29,
30). (Zie Aant. 3).
De verdediging. (Zie Aant. 4, 5). Eene
zeer lange — 53 verzen hier — en dan is
zij nog verkort. Zien wij nu slechts twee
zaken, welke hij er in zegt: —
(a) «Gij acht deze heilige plaats zoo
hoog (zie VI : 13); maar God heeft reeds
tot ons volk gesproken voordat er een
Tempel was; Zijne boodschappen kwamen
zelfs niet te Jeruzalem — zij kwamen
tot Abraham en Mozes in vreemde landen
(VH : 2, 30); en zelfs toen de Tempel ge-
bouwd was, zeide God, dat deze Zijne
woonplaats niet was (vere 47—50). Hij
heeft hem eens verwoest (vers 43) en zal
het weder doen, indien gij Hem onge-
hoorzaam zijt».
(b) «Gij denkt, dat gij onzen vaderen
gelijk zijt, die God zoo begunstigd heeft.
Gij zijt hun gelijk — maar hierin: zij
verwierpen altijd Gods afgezanten (vers 9,
27, 25, 39) en gij hebt den Messias ver-
raden en vermoord (vers 52)».
De uitslag. Zie — hier zit de Raad —
twee en zeventig groote en geleerde man-
nen — in een halven cirkel — Schriftge-
leerden met hunne rollen aan beide kanten
— de gevangene in het midden — zijne
beschuldigers aan zijne linkerzijde — maar
geen advocaat aan zijne rechterhand (zie
Ps. CIX : 31) om hem tc verdedigen. Zie