Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXXVII. DE EERSTE MARTELAAR.
411
de woorden van Petrus? En was het vonnis
van Petrus overSaffira gegrond op hetgeen,
geheel onverwachts voor hem, op Ananias
was neergedaald ? De Schrift geeft geene
beslissing voor deze vraag, en de meening
der Schriftuitleggers is ongeveer gelijkelijk
verdeeld. De rechtvaardigheid en nood-
zakelijkheid van het oordeel worden in de
Schets aangetoond.
5. Deze geschiedenis levert een van de
duidelijkste bewijzen voor de Godheid van
den Heiligen Geest. Ananias had «den
menschen niet gelogen, maar Gode» en
toch had hij «den Heiligen Geest gelogen»
Les LXXXVII. — De Eerste Martelaar.
«Indien wij verdragen., wij zullen ook met Hem heerschen».
Te lezen — Hand. VI : 8—15, VH : 51—60.
Te leeren — Rom. VIII : 35-37; 1 Petr. II : 21—23. (Gez. 187 : 1, 6, 7).
Voor den Onderwijzer.
De vijf afdeelingen van de Schets kunnen aldus beschreven worden: — de
eerste drie bevatten het verhaal; de vierde wijst op één merkwaardigen en bij-
zonder belangrijken trek van het verhaal; de vijfde geeft de toepassing. Onder-
wijzers zullen het niet moeilijk vinden, de twee laatste over de eerste drie
te verdeelen, d. w. z. de gelijkenis van Stefanus met Christus en het voor-
beeld, dat zijne geschiedenis ons geeft, in den loop van het verhaal aan te
toonen. Maar het zal waarschijnlijk doeltreffender zijn de geschiedenis zoo
levendig mogelijk te verhalen en dan vragen te doen over hetgeen verteld is,
— in dier voege, dat eerst de punten van Afdeeling IV en dan die van Afdeeling
V te pas worden gebracht.
Eene uiteenzetting van zulk eene lange toespraak als die van Stefanus zou
niet alleen in het geheel niet op hare plaats zijn in de Schets, maar zelfs in
de Aanteekeningen onmogelijk te geven zijn; ook wordt van den Onderwijzer
niet verwacht, dat hij zal trachten haar in de klasse in haar geheel door te
lezen, hoe vlug zijne leerlingen ook zijn. In Aant. 4 wordt er een korte inhoud
van gegeven.
Schets van de Les.
Wat is een martelaar? Het woord betee-
kent «getuige» (voorbeeld rechtszittingen);
maar wij gebruiken het voor eene bijzon-
dere soort van getuige — van zulk een,
die zijne getuigenis met den dood moet
bezegelen. Wat is de krachtigste getuigenis,
die wij geven kunnen van ons geloof in
Christus: zeker dit, dat wij liever gereed
zijn te sterven dan Hem te verloochenen
{Zie Aant. 12).
Heden lezen wij van den eersten mar-
telaar.
I. Het werk van Stefanus.
Waartoe was hij aangesteld? Zie vers
2, 3. De armen onder de geloovigen te be-
zoeken (welke armen in het bijzonder?
vers 1) — om hun het voedsel en het
geld te geven, waaraan zij behoefte had-
den (van waar kreeg hij dit? IV: 34, 35)
— te helpen in het bereiden van den