Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
410
LXXXVI. DE VIJAND ZAAIT ONKRUID IN DE TARWE.
— niet allen, die het schijnen te zijn,
zijn Christenen — velen zijn gelijk aan
hen, die onze te leeren tekst
noemt.
God werpt niet dadelijk fle «valsche
broeders» uit — laat ze beiden te zamen
« opwassen tot den oogst» (Matth. XIII: 30)
— en intusschen kan het gebeuren, dat
het onkruid in tarwe verandert. Maar
zullen zij gescheiden worden? Wanneer?
Matth. XIII : 39—43; Luk. XVII: 34, 35.
Wie zullen alleen in den hemelschen taber-
nakel wonen? De l^te tekst om te leeren
geeft het antwoord.
Onderzoekt u zelven / 2 Cor. XIII : 5.
En waakt (1 Petr. V:8) tegen den Satan,
opdat hij niet — zie 2 Cor. II: 10. Misschien
verzoekt hij u op dezelfde wijze als Ana-
nias — misschien geheel anders. Denk
eens na! Geeft gij ooit voor, beter te zijn
dan gij zijt? Acht gij geld kostbaarder
dan de gunst van God? Stelt gij meer
prijs op den lof der menschen dan op den
lof van God? Bekommert gij u veel om
u zelven en weinig om anderen? Doei gij
ooit een leugen (Openb. XXII : 15) of
beraamt gij bedrog? Op vele wijzen kan
zulk eene zonde bedreven worden, maar
toch altijd is het dezelfde als die van Ana-
nias; zie hetgeen God van deze laatste»
het liegen (door woord of daad), zegt: Ps.
CXX : 2—4; Spr. VI: 16-19, XII: 19—22,
XIX : 5; Jes. LIX : 2, 3; Ef. IV : 25;
Col. III : 9; Openb. XXI : 27, XXII : 15.
Zeg met David: «Ik haat devalschheid
en heb er eenen gruwel van » (Ps. CXIX:
163) en bid met hem: «Wend van mij
den weg der valschheid » (CXIX: 29); en
bid, dat uw hart verlost moge worden
van de listenden aanslagen des duivels!
Aanteekeningen.
1. « Zy hadden alle dingen gemeen».
Over deze gemeenschap van goederen
worde opgemerkt: — (a) Dat zij niet
gedwongen, maar vrijwillig was. zie hoofdst.
V: 4; (6) Dat zij niet algemeen was; zie
hoofdst. XII: 12, waar van de moeder van
Markus gezegd wordt, dat zij een huis
bezat; (c) Dat zij alleen gevonden wordt
in de Gemeente te Jeruzalem, daar de
rijken en armen in ver.scheidene der Brie-
ven afzonderlijk genoemd worden; (d) Dat
zij niet lang bleef bestaan, zelfs te Jeruzalem:
zie Rom. XV : 26. Zulk eene verdeeling van
goederen was zeer natuurlijk in een betrek-
kelijk klein lichaam, dat door zulke banden
verbonden was; vooral, omdat het den-
kelijk slechts eene voortzetting was van
de leefwijze van Christus en de Twaalven
(zie Joh. XII :6, XIII:29). Spoedig deden
zich in eene grootere Gemeente de be-
zwaren gelden (Hoofdst. VI : 1); en het
is waarschijnlijk, dat de bijzondere armoede
van de Christenen te Jeruzalem een gevolg
van het stelsel was. Hunne drijfveeren
kunnen bewonderd en nagevolgd worden,
maar het is beter in de practijk van hen
af te wijken.
2. «Barnabas» beteekent eerder de
«Zoon der Profetie» of ader vermaning»
dan «der vertroosting». «Nabi» is het
Hebreeuwsch voor « profeet >», in den zin
van een door Goddelijke ingeving bezield
mensch. (Zie Aanhangsel XIII, blz. 400).
3. De vraag van Petrus: «Waarom
heeft de Satan », enz. doet duidelijk zien,
dat Ananias aan de verzoeking weerstand
had kunnen bieden. Zij staat gelijk met:
«Waarom hebt gij toegelaten, dat de Satan
uw hart vervulde?» Dat de gedachte bij
hem opkwam, kon hij niet helpen; maar
in plaats van haar te verdrijven, «nam
hij haar in zijn hart voor» (vers 4).
Het afschuwelijke der zonde wordt op
eene merkwaardige wijze aangetoond door
het feil, dat zij de hoofdtrekken der drie
zonden had, waartoe de Satan Christus in
de woestijn trachtte te verleiden. (Zie
Les XII, Äant. 2).
4. Het is duidelijk, dat Petrus, als de
vertegenwoordiger van Christus en macht-
hebbende van den Heiligen Geest, die
straf op Saffira deed neerkomen. Maar
was dit ook zoo bij Ananias, een oordeel
Gods volgende op, niet aangebracht door