Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
V. DE BESNIJDENIS EN DE VOORSTELLING IN DEN TEMPEL.
sterven — hij heeft «gezien» wat hij
verwachtte. Stel u de verwondering van
Jozef en Maria voor — een vreemdeling,
die dadelijk weet wie het Kind is! En
nog eene verrassing! — Want wie komt
er en herkent Het ook? Hier is eene be-
jaarde weduwe, die iets weet, waar priesters
en vorsten geen woord van wisten. — En
er zijn er nog meer — nederige menschen,
die op Gods beloften wachtten — aan
hen deelt Anna de blijde boodschap mede.
3. Let nu op hetgeen Simeon zeide —
in het bijzonder op twee dingen, welke
zelfs de Apostelen moeite hadden te leeren.
a. dat het Kind niet alleen een Koning
der Joden, de roem van Israel zou zijn.
Anderen — de verachte «onbesnedenen»,
zouden in de zegeningen der verlossing
deelen; onwetend als zij waren, zou Jezus
een « Licht» tot verlichting der Heidenen zijn.
b. Dat de heerlijkheid niet terstond
zou komen — eerst nog iets anders —
vernedering en lijden. Jezus zou «weer-
sproken worden» — gebeurde dit niet
naderhand? Er zou een zwaard gaan
door Maria's ziel — wat was dat? Zie
Joh. XIX : 25 {Zie Aant. 6, 7).
Verleden Zondag wezen wij er op, hoe
Christus zich zelf vernederde.
Waar zien wij dit weder hier? [Herhaal].
j Wat zeiden wij verleden Zondag dat
Zijn doel was met deze vernedering? Zoo
: ook hier — Geworden onder de Wet
' [Herhaal].
1. Als onze Plaatsvervanger. God eischt,
dat allen Zijne wet volkomen vervullen —
indien dit niet gebeurt, wat dan? Maar
doen wij het? Kunnen wij het? Hoe zal
God ons dan aannemen? Jezus kwam om
onze «Gerechtigheid» (Jer. XXHI : 6) te
zijn, om voor ons aan God te geven, wat
1 wij zelf niet konden geven, opdat wij voor
i God zouden kunnen staan als — wat?
Zie Rom V : 19; Ef. 4 : 5.
2. Als ons Voorbeeld. Sommige men-
schen zeggen wel eens: «Ik doe eenige
dingen, die God beveelt — waarom moet
ik ook dit nog doen? Waarom zou ik zoo
nauwgezet zijn? Als ik het niet deed, wat
zou het hinderen? Maar Jezus deed wat
Hij niet behoefde te doen. Volg Hem na
— «Is dit bevolen? dan zal ik het doen».
Vertrouwen wij op Hem als onzen Plaats-
vervanger — volgen wij Hem nu als Voor-
beeld? Zijn wij als Simeon en Anna, die
zochten Hem te zien en te kennen, zich
niet voor Hem schaamden, maar God
loofden voor Hem en anderen van Hem
vertelden?
Aanteekeningen.
1. Het was zeker eene alledaagsche ge-
beurtenis, dat behoeftige ouders hun kind
voorstelden in den Tempel. De offerande
der duiven bracht Maria voor hare reiniging.
Zie Lev. XII.
2. De profetie in Mal. IH : 1 kan als
gedeeltelijk vervuld beschouwd worden bij
«de voorstelling in den tempel», en ge-
deeltelijk bij het bezoek, dat in Joh. II
verhaald wordt.
3. Simeons leeftijd wordt niet vermeld,
maar wij stellen ons als van zelf voor,
dat hij oud was. Anna moet 103 jaar
geweest zijn, zelfs al was zij op haar
twaalfde jaar getrouwd. Het feit dat zij
van Aser was, toont aan, dat toen de «twee
stammen« van de Babylonische balling-
schap terugkeerden, er ook eenigen uit de
«tien stammen» medekwamen.
4. Simeons lofzang werd uitgesproken
in de woorden der profetie. Zie Jes.
XLII : 6, XLIX : 6, LH : 10, LX : 1-3,
LXI : 11; Verg. Jes. IX : 1; Hand. XHI:
47; Rom. XV : 9—12.
5. Een teeken, dat ivedersproken zal
wordenrt — letterlijk, een doel of wit,
waartegen de pijlen geschoten werden.
ü. *Tot een val en opstanding veler
in Israel» — Deze uitdrukking ziet mis-
; schien terug op Jes. VIII : 14, 15,