Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
408
LXXXVI. DE VIJAND ZAAIT ONKRUID IN DE TARWE.
vervolging te verwekken. Indien Petrus
en Johannes de moed begeven had, toen
zij voor den Raad stonden, evenals dit
Petrus gebeurde, toen de Satan hem te
voren had vei^zocht (zie Luk. XXII : 31),
welk eene zegepraal ware dit geweest
voor den booze! Maar dat plan mislukte;
nu moet hij iets anders beproeven. In
plaats van van buiten aan te vallen zal
hij nu zien wat in de Kerk zelve gedaan
kan worden.
I. De zonde in het hart gegeven.
(Lees IV : 32-37, V : 1, 2).
Zie terug op het beeld van de kinds-
heid der Kerk, Hand. II; zie vers 45,46.
Hetzelfde wordt nu herhaald, hoofdstuk
IV : 32, 34, 35 (Zie Aant. 1). Waarom
hadden zij «alle dingen gemeen»? — zij
wisten, dat zij allen tot «één Lichaam^
behoorden — dus «één hart» hadden.
Wanneer dus een rijke discipel een armen
medediscipel zag, wat gevoelde hij dan?
Hij had een gevoel, alsof hijzelf arm
was — was even verlangend hem te
helpen, alsof hij het zelf ware. Juist het-
geen Jezus geboden had (Mark. XH : 31)
— «Heb uwen naaste lief als u zeiven».
Niet zelfzuchtig te zijn, maar deelnemend
in eens anders leed. Een zelfzuchtig mensch
zou zeggen: «Ik kan mijn geld niet
missen». Wat zeiden de discipelen? Vers
32 — zij noemden het in het geheel niet
hun eigen — waarom niet? Zij wisten,
dat alles, wat zij hadden, Gode toebehoorde.
(Zie Les LXVH).
Maar er waren zoo velen arm — zeker
wel het grootste gedeelte der 5(X)0 — en
weinigen rijk. Dus moesten de rijken zeer
onzelfzuchtig zijn — wat deden zij? vers
34, 35. Eén in het bijzonder, Barnabas,
vers 36, 37 — naderhand een bekend
apostel, en zie wat van hem gezegd wordt
XI : 24 — daar zien wij het geheim van
zijne onzelfzuchtigheid.
In het midden van dit gelukkig gezin
« ging de Satan rond » — met welk doel ?
1 Petr. V : 8, a zoekende f, hij keek in
elk hart om te zien waar hij het kwade
zaad kon zaaien en het onkruid doen
opwassen onder de tarwe, om bederf te
brengen in de Kerk. Het was niet gemak-
kelijk eene plaats te vinden — waarom?
vers 33 — « groote genade over hen allen ».
Eindelijk eene kans. Een man, die vele
bezittingen heeft, en gevoelt, dat hij be-
hoorde te helpen, maar er tegen opziet.
Waarom? Te zelfzuchtig — geen ver-
trouwen in Christus — zijn geheele hart
is nog niet vóór den Heer.
Terstond doet de Satan het zaad vallen,
hoofdst. V : 3 (zie Aant. 3) — eene plot-
selinge gedachte! — Ananias kan zijn
plicht doen, de eer voor zijne liefdadigheid
krijgen, en toch — voor zichzelf zorgen.
Hoe? Zie vers 1, 2.
II. De zonde gekoesterd.
Wat moest Ananias nu doen?
De gedachte verdrijven. Kan hij dit?
Ja — hij kon niet helpen, dat de Satan
hem deze in het hart had gegeven, maar
nu kan hij haar van zich afwerpen, hij
kan «den duivel weerstaan» (Jak. IV : 7;
1 Petr. V : 8). Doet hij dit? Ach neen,
hij de^-ikt er aan. laat dus de gedachte
verder komen, neemt haar op in zijn hart,
vers 3 (Zie Aant. 3). Dan spreekt hij er
over — met wie? Zie vers 9.
Zie nu, hoe zij zichzelven konden over-
tuigen het te doen — (a) Zij moeten
werkelijk iets van hun eigendom geven —
anders worden zij voor gierig gehouden, (b)
Indien zij dat land, dat in hun bezit is,
verkoopen en het geld aan de Apostelen
geven, hoezeer zullen zij dan geprezen
worden — evenzeer als die Leviet van
Cyprus (IV : 36)! (c) Maar, indien zij
slechts een deel van hun geld geven,
wie zal dat weten ? — Zij leggen er even-