Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
407 LXXXVI. DE VIJAND ZAAIT ONKRUID IN DE TARWE.

het gewicht, om op de veelzijdigheid der zonde van Ananias den nadruk te
leggen. Kinderen zijn zeer geneigd om te denken, dat hij «slechts een leugen
vertelde» — en dit is juist wat ons niet gezegd wordt, dat hij deed — terwijl
eenige bestudeering en overdenking van de geheele geschiedenis de grootte
der zonde en hare verzwarende omstandigheden aan het licht zullen brengen,
zooals in Afdeeling lï en III van de Schets wordt aangetoond. De onderwijzers
moeten dus in deze Les vooral niet alleen over het liegen handelen. Toch
kan aan dit onderwerp meer tijd gegeven worden dan de Schets schijnt toe
te laten, mits men uitvoerig stilsta bij de verborgen leugen, de woorden,
daden of blikken, welker bedoeling is te bedriegen, en niet alleen bij de
rechtstreeksche leugen.
Het cc waarom » van vers 3 is de sleutel tot eene belangrijke waarheid. De
macht van den Satan mag geene verontschuldiging zijn om aan de verzoe-
king toe te geven, maar eene reden om er tegen te waken en weerstand aan
te bieden; evenals, in Phil. II : 12, 13, de macht van God als eene reden
wordt aangegeven niet voor geestelijke traagheid, maar voor geestelijken ijver;
«werkt uws zelfs zaligheid .... want het is God, die in u werkt».
Er zijn nog vele nuttige en geschikte voorbeelden te vinden voor het
hoofdonderwerp van deze Les: b. v. een verrader in de legerplaats; een ver-
valscher van munt; en ook dit — onvolmaaktheden, enz. worden niet opge-
merkt in eene donkere kamer, maar als de zon er op schijnt, hoe verschil-
lend ziet dan elk oud meubel, elk kleedingstuk er uit! — zoo is het met
onze godsvrucht en barmhartigheid — hoe zouden zij zich voordoen in het
licht van Gods alwetendheid?
Aanteekeningen.
Hoe leelijk is het, wanneer men tracht het
werk van een ander te bederven! (Voorbeeld.
— Een som uit te vegen van een anderen
jongen; op de bloemen in zijn tuin te
loopen, enz.) Wie zoo doet, gelijkt op den
duivel. Toen het Scheppingswerk geëin-
digd was en God zeide, dat alles «zeer
goed» (Gen. I : 31) was, wat deed toen
de Satan om het te bederven? En even-
eens, in de eerste dagen der Kerk, toen
de liefde, eendracht, heiligheid zoo vol-
maakt schenen, was de Satan weder vol
afgunst en kwaadwilligheid, — hij moest
trachten dit nieuwe werk van God te be-
derven.
Herinnert gij u de gelijkenissen, waarin
Christus een beeld van de Geschiedenis
der Kerk had gegeven? (Zie Les XXXIV
en XXXV). In Matth. XIH de «Zaaier»,
een beeld van de wijze, waarop het Evan-
gelie door verschillende menschen ont-
vangen zou worden; het «Mosterdzaad»;
een beeld van de snelle ontwikkeling der
Kerk; enz. En het «Onkruid in den Ak-
ker» — wat zien wij daarin? Dat de
Kerk niet volmaakt zou zijn — eene ver-
menging van goed en kwaad — misschien
in schijn hetzelfde, maar in wezen ver-
schillend. Maar zien wij ook waarom het al-
dus zou zijn? Zie vers 28 (van Matth. XHl)
« Een vijandig mensch heeft dat gedaan »
— Wie is dat? vers 39. Christus had dus
voorzegd, dat de Satan trachten zou de
Kerk te bederven. Heden zullen wij zien
hoe hij het deed.
Eerst trachtte hij het te doen door