Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
405 LXXXV. ZEGENINGEN DOOR DEN NAAM VAN JEZUS.

dat al hunne zonden, al hetgeen tegen
hen geschreven vi^as in de boeken van
God (Openb. XX : 12), «uitgewischt»
(vers 19; verg. Jes. XLV: 22; Ps. LI: 9)
kan worden. Wat moeten zij echter doen?
« Zich beteren » (hunne vijandschap tegen
Jezus laten varen) en «zich bekeeren))
(Hem aanhangen, Zijne dienstknechten
worden). En dan zullen werkelijk de
«tijden der wederoprichting komen! {Zie
Aant. 6).
Maar hoe kunnen zij aanspraak maken
op deze vergeving en deze beloften? Door
Jezus, vers 18. 26. Zijn naam beteekent
«Zaligmaker» (Matth. I : 21), en alleen
do'»r Zijn naam kunnen zy zalig worden,
tekst om te leeren. Zien wij dus
niet weder, dat Zijn Naam «boven allen
naam» is? in macht, want wat kan hij
niet doen? in eer, — want wie zou dien
naam niet eeren, waardoor hij verlost
was geworden ?
III. Wat de Waam van Jezus
voor ons kan doen.
Alles! Denk eens na—is er iets, dat
God niet kan doen? Gij weet, dat de
woorden van Job (XLII : 2) waarheid be-
vatten. Zie dan Joh. XVI ; 23, 24 —
al wat wij vragen in den Naam van Jezus,
zal God geven. Indien Hij niet juist de
zaak geeft waarom wij gevraagd hebben,
is dit, omdat wy in onze onwetendheid
(Rom. VIH : 26) iets slechts hebben be-
geerd; en zelfs dan zal Hij (evenals aan
den kreupele en aan de Joden) iets on-
eindig veel beters geven. Zie sommige
der zegeningen, welke door Zijn Naam
verkregen kunnen worden, Ps. XX : 2,
LXXH : 17; Spreuk. XVIII : 10; 1 Joh.
11:12. Beproef hei slechts; doe hetgeen
Petrus den Joden zeide, «verbetert en
bekeert u»; waarom gij ook bidt, vraagt
het nederig in den Naam en door de
bemiddeling van Jezus Christus: dan zult
gij ondervinden welk een lieflijken klank
deze Naam heeft. Zullen wij den Naam
van Jezus dan niet liefhebben en eeren?
Maar sommigen doen dit niet — zij willen
hem niet zien of hooren — wanneer gij
hem noemt, zullen zij zich ongeduldig
van u af keeren — zij hebben een afkeer
van elk boek of geschrift, waarin hij voor-
komt. Is dit met enkelen uwer het geval ?
Denkt dan aan onzen tekst om te
leeren (verg. Joh. IH : 18) — de zaligheid
is in geenen anderen.
Aanteekeningen.
1. Er waren bij de Joden drie «uren
des gebeds», nl. die van de morgen- en
avondoffers (3'ie ure, 9 uur 's morgens;
en 9'ïe ure, 3 uur 's namiddags) en de
6de ure (12 uur); zie Ps. LV : 18; Dan.
VI : 10. Petrus en Johannes hadden niet
opgehouden Joden te zijn, omdat zij in
Christus geloofden; en de Gemeente van
.Jeruzalem bleef de Mozaïsche instellingen
houden tot de verwoesting van den Tempel.
2. Het is niet geheel zeker, welke der
tempelpoorten de «schoone» genaamd
werd, maar naar alle waarschijnlijkheid
was het die, welke van het Voorhof der
Heidenen naar het Voorhof der Vrouwen
leidde, en die door Josephus beschreven
wordt als zijnde van Corinthisch koper,
en veel prachtiger dan de andere negen
poorten, ofschoon zelfs deze met goud en
zilver bedekt waren. Zie Josephus, Antiq.
XV : 11, 3; BelL Jud. V : 3. Het Voor-
hof van Salomo was een ruime en zeer
fraai gewelfde gang aan de oostzijde van
den Tempel (Zie Les XLVI).
3. Met het geloof^in den Naam van Jezus
van Nazareth, waaraan Petrus het won-
der toeschreef, en waarvan hij zeide, dat
het zelf eene gave van Jezus was (« het
geloof, dat door Hem is »), bedoelde hij,
aanvankelijk ten minste, zijn eigen geloof
en dat van Johannes. Dit wordt vereischt
door den inhoud zijner redeneering; maar
ofschoon het geloof van den kreupele
niet bepaald genoemd wordt, is het zeer
waarschijnlijk, dat hij geloof had, daar
dit bijna altijd een voorwaarde was om
genezen te worden. Misschien werd,
evenals bij den kreupele te Lystra (XIV: