Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
404
LXXXV. ZEGENINGEN DOOR DEN NAAM VAN JEZUS.
zijn, dat hij zoo bespot werd? Maar hij
heeft dien naam gehoord, dien Petrus
noemde — hij herinnert zich hoe eens
diezelfde Jezus op dezelfde plaats (Matth.
XXI : 14) kreupelen heeft genezen —
gelooft, dat deze naam nog wonderen kan
verrichten — grijpt de uitgestrekte hand
van Petrus (vers 7) — en oogenblik kei ijk
kan hij doen, waartoe hij in al de veertig
jaren van zijn leven nog niet in staat is
geweest. Zie de vervulling van de profetie,
die God eeuwen geleden gegeven heeft
(Jes. XXXV : 6) — «Alsdan zal de kreu-
pele springen als een hert».
Zie hoe het volk nu samenkomt, vers
11 — waarom verwonderen zij zich? Zij
hebben vroeger even groote wonderen
gezien — ja, maar « deze menschen, van
waar hebben zij deze macht?» Wat zal
Petrus zeggen? Zal hij zichzelven de eer
toekennen? In het geheel niet: hij zal
zich zeker herinneren hoe zijn Meester,
zes maanden geleden, bijna gesteenigd
werd in datzelfde voorhof van Salomo
(Joh. X : 23, 31, 39) — nu zal hij den Joden
verkondigen wie het is, dien zij trachtten te
steenigen; wie het is, dien zij gekruisigd
hebben — niet slechts een man, die ge-
durende zijn leven wonderen kon doen,
maar de verhoogde Messias, die op Zijn
troon zit, wiens Naam nog Almachtig is.
Zie de woorden van Petrus, vers 12—16
(verg. IV : 10). In dezer voege: — «Niet
onze eigen macht, maar de macht van
Hem, dien gij gedood hebt, dien God
heeft verheven: Zijne macht hebben wij
gebruikt, en wij kunnen die gebruiken,
omdat wij in Zijnen Naam gelooven».
( Voorbeeld. — Indien gij een vriend in de
gevangenis hadt, zoudt gij dan kunnen
bevelen, dat hij werd vrijgelaten? Na-
tuurlijk niet, de gevangeyibewaarder zou
toch niet luisteren. Maar indien gij een
bevel hadt, door de Koningin of den
rechter onderteekend, zoudt gij dan gaan ?
Waarom zoudt gij gaan? Gij zoudt ge-
looven in de macht van die onderteeke-
ning).
Zou het geloof in een anderen naam
dien kreupele hebben genezen? Had
Petrus kunnen zeggen: «In den naam
van Mozes, sta op en wandel»? Wij zien
dus, dat de Naam van Jezus » boven allen
naam» is (a) in macht. Ja, en ook (6)
in eer: want wat zal het volk nu denken
van den eens verachten Naam? In Jeru-
zalem wordt nu, evenals naderhand (XIX :
17) te Efeze, «de Naam van den Heer
Jezus groot gemaakt».
n. Wat de Naam van Jezus voor
de Joden kon doen.
Vergenoegt Petrus zich er mede, de
eer van dit wonder aan zijnen Meester
te geven? Neen, hij weet, dat de Naam
van Jezus grootere dingen kan doen dan dit.
Denk eens na — was het geheele
Joodsche volk dezen kreupele niet gelijk?
{Zie Aant. 6). Hoe? Kreupel — niet in
staat te wandelen in Gods wegen door
hunne onwetendheid (vers 17) en zonde
(vers 19). Nog meer: wat verwachtten de
Joden nog altijd? — een Verlosser, die
de Romeinen zou verdrijven en hun volk
groot maken — zij verlangden naar deze
toekomst als naar «de tijden van weder-
oprichting » (wanneer het koninkrijk weder
opgericht zou zijn, zie hoofdst. I : 6).
Maar hadden zij hieraan het meest be-
hoefte? Neen — zij hadden veel meer
een Verlosser van zonde en schuld noodig,
eene herstelling in de gunst van God.
Maar hieraan dachten zij niet. Evenals
de kreupele — zagen zij uit naar de
mindere zegening — dachten niet aan
de grootere.
Wat biedt Petrus hun nu aan? Hij
heeft hen op hunne grootste zonde ge-
wezen (vers 14, 15) — nu zegt hij hun,