Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
402
LXXXV. ZEGENINGEN DOOR DEN NAAM VAN JEZUS.
niet (vers 4). Vandaar, dat het spreken
noet talen eene mindere gave was dan de
profetie (vers 2—4, 18, 19, 39). Beide
waren het gevolg van de werking van den
Heiligen Geest, maar het was van meer
nut om de woorden .Gods in de gewone
taal, die iedereen verstaan kon, te ver-
kondigen, dan ze uit te spreken in de
meest wonderbare verscheidenheid van
talen. Opdat dit laatste niet geheel nutte-
loos zou blijken te zijn in de samenkom-
sten, werd aan sommigen eene andere
gave geschonken — de «uitlegging der
talen». Indien de Gave der Talen de won-
derbare blijvende kennis van vele talen
was, hoe kon Paulus dan zoo krachtig
betuigd hebben (vers 18, 19), dat hij de
voorkeur gaf aan de gewone gave van
prediking*^
Toch bekleedde de Gave der Talen eene
belangrijke plaats in de Goddelijke bedee-
ling. Wat was zij dan? De Talen waren
dtot een teeken dengenen, die niet ge-
loofden » (vers 22). Zij beantwoordden aan
een soortgelijk doel als dat van de won-
deren. Zij dwongen tot aandacht en deden
den menschen gevoelen, dat « dit de vinger
Gods was»; en op die wijze hielpen zij
krachtdadig de uitbreiding van het Chris-
tendom bevorderen. De Heilige Geest kon
wel op het Pinksterfeest de harten der
discipelen vervuld hebben, hen tot stout-
moedige getuigen van Christus makende,
zonder de begeleidende teekenen; maar
dan had de wereld de veranderingen in
het kleine gezelschap kunnen toeschrijven
aan eene natuurlijke uiting van geestdrift.
De Geest had op Cornelius en zijne vrienden
wel kunnen nederdalen en hen aan de voe-
ten van Jezus kunnen brengen, zonder hen
in talen te doen spreken, maar zou in dat
geval Petrus zoo gemakkelijk overtuigd
zijn geweest, dat hij « het water niet kon
weren om hen te doopen » ? Het uiterlijke
en zichtbare teeken was noodig, om de
innerlijke en geestelijke genade aan het
licht te brengen. «Indien het feit, dat de
Heilige Geest Gods Zelf neerdaalde om
Zich woning te maken in de Kerk en in
de harten der menschen, boven alle tegen-
spraak duidelijk gemaakt moest worden,
dan was er een teeken noodig, dat die
komst begeleidde, dat in het bereik der
zinnen viel en slechts voor ééne uitlegging
vatbaar was».
Les LXXXV. — Zegeningen door den Naam van Jezus.
<i En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam dezen gesterkt».
Te lezen — Hand. IH.
Te leeren — Phil. H : 9—11; Hand. IV : 10, 12. (Gez. 151 : 1, 3).
Voor den Onderwijzer.
In overeenstemming met de wijze, welke voor de behandeling dezer Lessen
is aangenomen, wordt in de volgende Schets geene poging gedaan om de toe-
spraak van Petrus tot het volk in bijzonderheden uit te leggen. Het verhaal
wordt gebruikt als de grondslag voor eene Les, waarvan a de Naam van
Jezus» het onderwerp uitmaakt. Dit onderweip is niet willekeurig gekozen,
want niet alleen wordt het wonder door Petrus aan de macht van den « Naam
van Jezus» toegeschreven, maar die gehate Naam was meer dan iets anders de
oorzaak van den bitteren tegenstand, die er op volgde.
Het is bijna niet mogelijk, dat deze Les moeilijk gevonden wordt, maar zij
kan nog vereenvoudigd worden door de weglating van Afdeeling II en eene
uitvoeriger uitlegging van Afdeeling III.