Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXXIV. AANHANGSEL OVER DE GAVE DER TALEN.
401
van wij lezen, dat zij door Paulus en de
anderen bezocht werden, was het Grieksch
de algemeene taal geworden, ten gevolge
van de veroveringen van Alexander en de
stichting der Grieksche rijken door zijne
generaals; het bestaan van zulk eene alge-
meene taal wordt terecht aangemerkt als
een trelTend voorbeeld van de Goddelijke
voorbereiding voor de uitbreiding van het
Christendom. Elk land en elk volk bezat
natuurlijk ook zijn eigen taal of tongval,
welke de eigenlijke volkstaal was. Ara-
meesch, eene verbasterde soort van He-
breeuwsch, was alzoo gangbaar in Palestina;
Latijn de taal van Italië; en in Hand. XIV
lezen wij van het «Lycaonisch» (hetgeen
ondertusschen Paulus en Barnabas niet
schijnen verstaan te hebben).
Wij vinden nergens een voorbeeld,
dat de Apostelen gebruik maakten van
eene vreemde taal. In de Handelingen
wordt, na den dag van het Pinksterfeest,
nooit van iets dergelijks melding gemaakt.
Al de Brieven zijn in het Grieksch ge-
schreven, zelfs die aan de half barbaarsche
Galatiërs — van wie wel zeker te ver-
wachten was, dat zij die taal niet ver-
stonden.
3. Er
den dag
telen in vreemde talen voor de verzamelde
Joden predikten. Hetgeen zij en de anderen
in de verschillende talen verkondigden,
waren «de groote werken Gods». Zoo
lezen wij in Hand. X: 46, dat de bekeerde
Heidenen, toen de Geest op hen viel,
« met vreemde talen spraken en God groot
maakten». Het was geene prediking,
maar lofzegging. Toen van de verbaasde
menigte sommigen vragen deden en som-
migen spotten, kwam Petrus naar voren,
en sprak ze allen gezamenlijk aan, natuur-
lijk in ééne taal. (De Elven «stonden»
om hem te steunen, maar er wordt niet
gezegd, dat zij ook spraken). En welke
taal bezigden zij? Uit hetgeen hierboven
gezegd is, zouden wij afleiden, dat het
Grieksch was; en er is een onbetwistbaar
bewijs hiervoor, want zijne aanhalingen
uit het Oude Testament zijn bijna woor-
delijk uit de Grieksche Vertaling der Zeven-
tigen — eene omstandigheid, welke anders
op geene redelijke wijze verklaard kan
worden.
Wat was dan eigenlijk de Gave der
Talen?
wordt zelfs niet gezegd, dat op
van het Pinksterfeest de Apos-
Wij moeten niet tot het andere uiterste
overgaan en, ons beroepende op zekere
moeilijke verzen in 1 Cor. XIV, zeggen,
dat de talen onduidelijke en onsamen-
hangende uitingen zyn. De discipelen spra-
ken op den dag >an het Pinksterfeest
verstaanbaar in wezenlijke tongvallen, want
hunne woorden werden door hen, die de
tongvallen kenden, verstaan. Maar er kan
niet uit opgemaakt worden, dat eene blij-
vende kennis eener vreemde taal. waarvan
zij zich bedienen konden, hun geschonken
werd. Zij spraken «zooals de Geest hun
gaf uit te spreken». Dit vermogen kwam
zeer waarschijnlijk bij andere gelegenheden
weer terug, maar het was toch niet iets,
dat naar eigen goedvinden gebruikt kon
worden. Het was altijd «de uitwerking
van eene plotselinge aandrift van boven-
natuurlijke bezieling».
Deze gave kan vergeleken worden met
de gave der profetie onder de Oud-Testa-
menti.sche bedeeling. Het woord zelf voor
profeet in het Hebreeuwsch («abi) betee-
kent een opborrelen, als eene bron uit de
aarde; en het oorspronkelijke denkbeeld
van een profeet is iemand, wiens woor-
den door eene onweerstaanbare ingeving
voortgebracht worden. Op die wijze «ge-
schiedde het Woord des Heeren » ook tot
de gewone profeten; maar het verschijn-
sel is nog treffender, wanneer dit plaats
had bij hen, die geen eigenlijke profeten
waren — zooals bij Bileam, die, toen de
Goddelijke ingeving kwam, alleen kon
spreken wat « God in zijnen mond leide »;
of bij Eldad en Medad, die onverwachts
in het leger «profeteerden» (Num. XI: 26);
of bij Saul. bij twee gelegenheden (1 Sam.
X : 10, XIX : 20—24).
De gave der talen schijnt eene soort-
gelijke, slechts bij enkele gelegenheden
voorkomende, bezieling geweest te zijn,
die een bepaalden vorm aannam; en in
dit licht beschouwd, leveren de feiten, in
1 Cor. XIV vermeld, geene wezenlijke
moeilijkheid op. Zij, die te Corinthe met
talen spraken, werden niet verstaan —
klaarblijkelijk, omdat er geen vreemdelingen
tegenwoordig waren (zooals te Jeruzalem),
die hunne eigen taal herkenden. Dien-
tengevolge sprak hij, die aldus bezield
was, niet tot menschen, maar tot God
(vers 2) — hij stichtte zichzelven door,
op welke wijze ook, te uiten hetgeen zijn
hart gevoelde, maar hij stichtte de Gemeente
26