Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
400
LXXXIV. AANHANGSEL OVER DE GAVE DER TALEN.
dag van het Pinksterfeest. Indien dus in
het jaar van den dood onzes Heeren de
1406 Nisan op een Donderdag viel (zie
hierover Aanhangsel XH, blz. 330), zou de
16de op een Zaterdag zijn; zeven weken
daarna zou het ook een Zaterdag zijn en
Pinksteren zou op een Zondag vallen,
hetgeen altijd door de Kerk is aangenomen
en ook de reden is waarom wij Pinksteren
op een Zondag vieren.
3. Sommigen hebben gemeend, dat de
discipelen in den Tempel waren vergaderd,
toen zij den Heiligen Geest ontvingen;
maar dit is om vele redenen hoogst on-
waarschijnlijk. Het ligt veel meer voorde
hand, dat de scharen naar het huis toe-
getrokken werden door het geluid van
den wind, en dat Petrus hen aansprak,
staande voor de deur of op eene groote
binnenplaats. Het geluid werd waarschijn-
lijk in de geheele stad gehoord. Er wordt
niet gezegd, dat er letterlijk ït^ind of vuur
was, slechts een geluid «als van» wind
en het gezicht van tongen « als van » vum\\
ook werd er geen rukwind of hitte greuoeW.
«Verdeelde» tongen beteekent niet, dat
de vlammen zelven gesplitst waren, maar
dat het vuur over allen verdeeld werd.
Het is duidelijk, dat allen de gave ontvin-
gen — niet alleen de Apostelen.
4. Het is waarschijnlijk, dat onder de
bezoekers van Jeruzalem, die zulk een
voornaam deel uitmaakten van de schare,
zoowel mannen van Joodsche afkomst
als Heidenen waren, die tot het Jodendom
waren toegelaten door de besnijdenis: daar
de woorden «beiden Joden en Jodenge-
nooten », in vers 10, blijkbaar eene nadere
beschrijving zijn van hen, die reeds met
betrekking tot hun landaard genoemd zijn.
De Joden «der Verstrooiing» vormden
eene zeer talrijke en uitgestrekte menigte
en zij hadden allen voor een deel den aard
des volks aangenomen, waartoe hun ge-
slacht mogelijk reeds jarenlang behoord
had. Een Hollandsche Jood is een Hollander
zoowel als een Jood, en een Russische
Jood een Rus zoowel als een Jood ; en zoo
was het ook met de Parthische, Egyptische
en Phrygische Joden.
De landen, welke opgenoemd worden,
zijn volgens eene bepaalde orde gerang-
schikt: eerst die in het verre oosten; dan
meer westwaarts naar Mesopotamiê en
Indië; dan noordwaarts naar Klein-Azié;
van Pamfylië over de Middellandsche Zee
naar de kusten van Afrika; en dan weder
over de zee naar Rome. Daarna volgt de
algemeene beschrijving «Joden en Joden-
genooten»; en eindelijk, bijwijze van
naschrift, twee oorden, die niet gemak-
kelijk in de voorgaande reeks konden ge-
voegd worden.
5. De tegenwoordige bedeeling wordt in
de Schrift dikwijls « de laatste dagen » ge-
noemd, als eene algeheele voorbereiding
voor den « grooten en doorluchtigen dag ♦
des Heeren. Het kenteeken van de bedee-
ling is, zooals door Joel werd voorspeld en
door Petrus aangetoond, de vrije uitstor-
ting van den Heiligen Geest. De ruime mate,
waarin die uitstorting zou geschieden,
wordt op treffende wijze aangeduid door
het vermelden der «dienstknet^hten en
dienstmaagden», hetgeen in het oorspron-
kelijk eenvoudig «slaven» (Bovyot) en
« slavinnen » is.
AANHANGSEL XHL — DE GAVE DER TALEN.
Een onderwerp, zoo belangrijk en zoo
moeilijk als de Gave der Talen, vereischt
eene bijzondere aanteekening.
De gewone opvatting betreffende de uit-
storting op het Pinksterfeest is ongeveer
deze: dat de Apostelen de wondergave,
om vreemde talen te verstaan en te spre-
ken, van noode hadden om het Evangelie
aan alle volkeren to kunnen verkondigen;
dat deze gave hun op het Pinksterfeest
geschonken en naderhand door hen ge-
bruikt werd; en dat zij ook werkelijk het
Evangelie in verscheidene tongvallen voor
de aldaar verzamelde menigte predikten.
Hierop doet men dan beschrijvingen vol-
gen van eene groep Parthers, die om één
Apostel geschaard is, eene groep Phrygiërs
om een andere, en zoo voort. Al deze
denkbeelden zijn zeer waarschijnlijk onwaar.
1. Zulk eene wondermacht was niet
noodig. Het is waar, dat, indien eenigen
der Apostelen naar verafgelegen landen zijn
gegaan — indien b. v. Bartholomeüs of
Thomas, zooals de overlevering wil, in
Indië heeft gepredikt — dan de gave der
talen zeer nuttig geweest zou zijn en
mogelijk ook geschonken werd. Maar dat
het op die plaats en op dien dag alzoo
geschiedde, wordt in het geheel niet door
de Schrift bewezen. In al de landen, waar-