Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
398
LXXXIV. DE GAVE VAN DEN HEILIGEN GEEST.
echter niet brandt) op elk hunner {Zie
Aant. 3). Elk gelaat straalt van verheven
vreugde (zie vers 13); elke tong heft lof-
zangen en uitroepen van aanbidding tot
verheerlijking van God aan, vers 11 (zie
Aanhangsel XHI, blz, 400). Maar welke
vreemde klanken! — deze «ongeleerdeen
slechte menschen » (hoofdst. IV: 13) uiten
hun lof en blijde aanbidding in allerlei
talen, die zij nooit geleerd hadden!
Maar het geluid, als van den ruischen-
den wind. werd niet alleen in dat huis
gehoord. De menschen komen samen om
te zien wat het is — menigten volks zijn
nu bijeen — de uitlandsche Joden houden
stil op hun weg naar den Tempel tegen
de «derde ure» (zie vers 15) — allen
verbazen zich over hetgeen zij zien en
hooren. Een Parther zal zeggen: « Ik hoor
mijne taal — een Libyer «Ik hoor de
mijne». Maar de menschen van Jeru-
zalem — zij verstaan die vreemde talen
niet — voor hen heeft het geene betee-
kenis — wat denken' zij? vers 13.
Wat zullen nu de discipelen doen? De
deuren grendelen (zooals vroeger, Joh.
XX : 19) «om de vreeze der Joden»?
Zie, de Apostelen treden moedig vooruit —
met luide stem (vers 14) spreekt Petrus
de verbaasde menigte aan. « Dezen dron-
ken? Zie hun gelaat, dat vol blijdschap
ten Hemel is geheven — zien dezen er
uit alsof zij zoo slecht zouden zijn (zie
Jes. V : 11; 1 Thess. V : 7), om zich reeds
des morgens te negen uur aan dronken-
schap over te geven?» Wat is het dan?
vers 16—21: — In vroeger tijden deed
God Zijnen Geest nederdalen op enkele
profeten en heilige menschen — maar
eens zoude Hij Hem aan allen schenken,
mannen en vrouwen, jongen en ouden,
zelfs aan de slaven {zie Aant. 5) — zij
zullen «bezield» worden, de woorden
spreken, die de Geest hun ingeeft, « profe-
teeren » {Zie Aanhangsel X\l\). Wanneer
zou dit zijn? In de «laatste dagen» —
vóór fiden grooten dag» — bijtijds voor
allen om, indien zij zich door deze won-
deren laten waarschuwen, «den Heer aan
te roepen en zalig te worden ». Nu is het
gekomen, de «laatste dagen » zijn aange-
broken {zie Aant. 5) — dezen « zijn niet
dronken in wijn, maar vervuld met den
Geest» (Ef. V : 18).
II De innerlijke gave.
Was dit de gave — om vreemde talen
te spreken ? Nog veel meer dan dat!
Denk aan Petrus zeven weken vroeger,
bij het vuur op de binnenplaats van den
Hoogepriester — en zie hem nu; van waar
dat groote verschil? Wat veranderde den
lafhartigen loochenaar van zijnen Meester
in den onbevreesden prediker? Dit was
het —
God, de Heilige Geest, was neergedaald
op de Kerk.
Zie vers 4. — «Zij werden allen vervuld
met den Heiligen Geest» — dit zijn de
belangrijke woorden. Was Hij alleen ge-
komen om hunne tongen te bezielen? Neen,
bovenal om in hunne harten te wonen.
Maar deze teekenen toonden aan, hoedanig
het werk zou zijn, dat Hij in hen tot
stand zou brengen.
1. Hij zou zijn als de wind, (a) On-
zichtbaar en geheimzinnig. Zie Joh. Hl: 8
— « gij hoort zijn geluid, maar gij weet
niet,» enz. {Zie Les XVI). (b) Krachtig
en onweerstaanbaar. Wat kan weerstand
bieden aan het geweld van den stormwind ?
En daar de Geest God is, wat is er dan
boven Zijne macht verheven? (c) Levend-
makend (Voorbeeld. — Toevoer van ver-
sche lucht in een bedompt vertrek, hoe ver-
kwikkend!) De Geest is gekomen om met
Zijn adem de doode zielen tot leven te
wekken (Zie Ezech. XXXVH : 9, 10).
2. Hij zou zijn als het vuur. Dit zeide