Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
397 LXXXIV. DE GAVE VAN DEN HEILIGEN GEEST.

Schets van de Les.
Hebt gij ooit God om iets gevraagd en
dan op een antwoord gewacht? Misschien
hebt gij van morgen gebeden «Leid ons
niet in verzoeking » — hebt gij nu uitge-
zien naar Gods hulp, om u er voor te
bewaren? Verwacht gij wel ooit wer-
kelijk een antwoord? Het is gemakkelijk
genoeg uit gewoonte te bidden, omdat
het zoo behoort — maar hoe gemakkelijk
is het om op te staan en alles weer te
vergeten!
Die 120 discipelen — waarom kwamen
zij in die Opperzaal bijeen? Wat had
Christus hun beloofd, vóór Hij ten Hemel
was gevaren? Zie hoofdst. 1:8; Luk.
XXIV ; 49. Wanneer zou het zijn? I : 5.
Spoedig, maar zij wisten niet juist wan-
neer. Wat deden zij dus? I : 24 — zij
«volhardden in het gebed».
Eiken dag zoudt gij hen daar kunnen
zien, allen hunne ernstige smeekingen
tot God opzendende, met verlangen uit-
ziende naar de vervulling der belofte.
Indien gij God vraagt om eene Zijner
beloofde Zegeningen, en een antwoord
verwacht, zult gij niet teleurgesteld wor-
den ; dat werden zij ook niet.
Wanneer werd die belofte vervuld"}
vers 1.
Vijftig dagen geleden waren er duizenden
vreemdelingen in Jeruzalem — van alle
deelen des lands waren zij opgekomen
om het Paaschfeest te vieren. Dat was
juist toen het koren rijp was — de eerste
schoof gerst werd in den Tempel gebracht
als een teeken van dankbaarheid aan God
voor den regen, den zonneschijn en al de
andere zegeningen; zie Lev. XXIII: 5—14.
Wat hebben zij gedurende deze zeven
weken gedaan? Over het land verstrooid,
hebben zij den oogst binnengebracht, het
koren in de schuren verzameld, enz. Nu
is alles gereed om tot brood gemaakt te
worden; maar nog eens moeten de eer.ste-
lingen — twee brooden van het nieuwe
koren — in den Tempel geolVerd worden,
zie Lev. XXIH: 15—21. Zie hen dus weder
allen te Jeruzalem vergaderd voor het
Pinksterfeest (Zie Aant. 1).
Tot dit Feest komen bijna even groote
menigten op als tot het Paaschfeest. Vooral
de Joden, die in verafgelegen landen ge-
boren en gevestigd zijn, begeven zich in
grooten getale naar de stad hunner
vaderen. Vele vreemde kleederdrachten
zijn daar op straat te zien — vele vreemde
talen te hooren, Aziatische, Europeesche,
Afrikaansche — verscheidene worden er
in vers 9—11 genoemd. De meeste be-
zoekers behooren werkelijk tot het Jood-
sche volk; maar ook sommige Heidenen,
die Joden geworden waren — besneden
waren, den waren God dienden — « Joden-
genooten» genaamd (vers 10).
Dit is dus de geschikte tijd, waarop de
verkondiging van het Evangelie beginnen
kan — zoo velen konden het hooren en
er over spreken, wanneer zij naar hunne
verafgelegen woonplaatsen teruggingen.
Zie nu hoe Christus Zijne belofte vervulde
(Lees dit gedeelte).
I. De uiterlijke teekenen.
De blijde feestdag is gekomen — over
weinige oogenbUkken zullen de discipelen
opgaan naar den Tempel — maar eerst
hunne eigen bijeenkomst in de Opperzaal
— zij moeten niet ophouden te bidden
— «Misschien zal juist op dezen dag de
Beloofde Gave komen.»
Eensklaps een vreemd geluid — waar
gelijkt het op? Van waar komt het? zie
vers 2. Aller oor wordt getroffen; en nu
aller oog ook — een vreemd gezicht —
een helder licht boven hen, daarna wordt
het verdeeld, en een vurige vlam (die