Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
395 LXXXIII. DE HEMELVAART.

Iemand, die voor ons pleit, die voor ons
optreedt, en dit doet Jezus voor ons, Hebr.
IX : 24. Wij zijn als gevangenen voor de
rechtbank; de Satan is de aanklager (Zach.
Hl : 1; Openb. XH : 10), die ons allerlei
zaken ten laste legt, en wij zijn in waar-
heid «schuldig». Maar Christus is onze
Voorspraak (1 Joh. H : 1) en bepleit onze
zaak. Kan Hij te kort komen ? Neen, want
Hij heeft voor onze zonden geboet, de straf
gedragen.
3. Als een Oudste Broeder. De Hemel
is de erfenis voor Gods kinderen. Col.
I : 12; 1 Petr. I : 4. Waarom de hunne?
Zij is voor den Erfgenaam en Zijne broe-
deren. Jezus is de erfgenaam, Hebr. 1:2;
wij (indien wij Zijne ware dienstknechten
zijn) Zijne broederen, Hebr. II : 11 —
daarom zijn wij gezamenlijke erfgenamen,
Rom. VIH : 17; Gal. IV : 7. Hij, de Oudste
Broeder, is vooruitgegaan om de erfenis
in bezit te nemen, om « eene plaats voor
ons te bereiden» — dan zal Hij «weder-
komen en ons tot Zich nemen». Joh.
XIV : 2, 3.
Daarom —
(1) Denkt aan Christus als aan een
levenden Zaligmaker. Wij denken gaarne
aan Bethlehem — aan den Zoon van God,
die een klein kindeke werd om onzentwil
— aan de * geheimenis van Zijne heilige
Vleeschwording*. Wij denken gaarne aan
Golgotha — aan Zijn kostelijken Dood en
aan Zijne Begrafenis. Maar vergeet niet
Zijne Opstanding en Hemelvaart. Niet een
Heiland, die eens geleefd heeft en ge-
storven is, maar Een, die nu leeft —
onze Vriend en Broeder in den Hemel.
De Heer Jezus ziet op ons neer — ziet
een godvruchtig kind, dat treurt om zijne
zonden — bidt, dat het vergeving moge
ontvangen; ziet een kind tegen de zonde
strijden — bidt, dat het gesterkt worde.
Indien Hij dit niet deed, dan zou niemand
vergeving ontvangen, niemand gesterkt
worden. Kunt gij u afwenden van zulk
een Vriend? Moet gij Hem niet liefhebben?
(2) « Zoekt de dingen, die boven zijn,
waar Christus is zittende aan de rech'
terhand Gods». (Col. 111:1). {Voorbeeld.
— Een landverhuizer verdiept zich in alles,
wat betrekking heeft op het land, waar
hij heengaat; hij leest er over, doet er
navraag naar, denkt er nacht en dag
over; bijna is hij er reeds in gedachten).
Zoo moesten wij denken aan het «betere
land» (Ilebr. XI : IG). Dan zal'de Hemel
niet zoo vreemd zijn, wanneer wij daar
komen.
Aanteekeningen.
1. Het is opmerkelijk, dat de Hemel-
vaart slechts door één Evangelist, Lukas,
vermeld wordt, en wel in zijne beide wer-
ken, het Evangelie en de Handelingen.
Het feit wordt echter in het Evangelie van
Markus genoemd, ofschoon er geen bij-
omstandigheden aan toegevoegd worden.
Mattheus eindigt met de groote Opdracht
van den Heer; toch is uit dit Evangelie
duidelijk de Hemelvaart af te leiden, daar
het op nadrukkelijke wijze (hoofdst. XXIV,
XXV) van Christus' Wederkomst spreekt.
Uit het Evangelie van Johannes is ook het
feit op te maken; zie hoofdstuk VI : 62,
XX : 17.
Het slot van het Evangelie van Markus
is eene korte opsomming van het laatste
samenzijn van den Heer met de discipelen.
Vers 14—20 moet niet aangemerkt wor-
den als een geregeld verslag; vers 14
verwijst klaarblijkelijk naar de eerste
verschijningen te Jeruzalem; vers 15—18
komt waarschijnlijk overeen met Matth.
XXVHI : 18—20. waar de opdracht aan
de verzamelde Gemeente op den berg van
Galilea vermeld wurdt; vers 19 verhaalt
slechts het feit van de Hemelvaart zonder
tijds- of plaatsbepaling, alleen wordt er
bijgevoegd, dat het na de uitvaardiging
der laatste bevelen plaats had.
Luk. XXIV : 44—53 verwijst zonder
twijfel in zijn geheel naar het laatste