Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
394
LXXXIII. DE HEMELVAART.
oogen den Mensch Christus Jezus ten Hemel
zien opvaren.
Zieï Zijne handen zijn opgeheven —
waarvoor? Als de zegening van den Hooge-
priester, Lev. IX : 22, Num. VI : 21 —
27. En op dat oogenblik vaart Hij op uit
hun midden, zweeft naar boven in de
lucht. Zijne laatste daad is geweest hen
te zegenen; wat is hunne laatste daad
ten opzichte van Hem? (Luk., vs. 52) — zie
hoe zij Hem als hun Heer en God aan-
bidden. Nu staan zij weder op, zien naar
boven — maar Hij is weg — slechts eene
witte wolk is daar te zien. Eensklaps
voelen zij, dat iemand hen aanraakt, zij
hooren eene stem — daar zijn twee vreem-
delingen — wie? Zij komen hun aanzeg-
gen, dat zij nog van ééne zaak getuigen
zullen zijn — waarvan? Maar nog niet —
en zelfs nu, bijna 1900 jaar later, is deze
nog niet gekomen — maarzij za^ komen,
en wij allen zullen er getuigen van zijn.
« Hij komt met de wolken », zooals Hij
gegaan is, Openb. I : 7. En Hij zal zege-
nend komen — maar wie zal Hij zegenen?
Zijne eigen getrouwe volgelingen — zullen
wij daartoe behooren?
2. Opgenomen in den Hemel. Het too-
neel op den Olijfberg heeft in alle stilte
plaats; de menschen wisten niet wat er
gebeurde, zelfs niet de bewoners van
Jeruzalem aan de andere zijde van den
heuvel. Wat zouden Pilatus, Herodes,
Kajafas gedacht hebben, indien zij dat
gezicht hadden aanschouwd? En wat aan-
gaat de groote mannen in het verre Grie-
kenland en Rome, wat ging hun de
gebeurtenis aan, die op den berg in Judea
voorviel ?
Maar in den Hemel — hoe werd er
daar over gedacht? Hoe zouden de engelen
hunnen Heer ontvangen — nu Zijn tijd
van vernedering voorbij was — Zijn heer-
lijk rijk een aanvang nam? Zie de woor-
den van zegepraal, die God David in den
mond legde, Ps. XXIV : 7—10. En bedenk,
dat de Zoon van God niet naar den Hemel
teruggaat, gelijk Hij dien verlaten had:
Hij is nu mensch zoowel als God. Hij
werd voor een tijd «een weinig minder
dan de engelen» gemaakt — maar nu?
zie Hebr. H : 9; 1 Petr. IH : 22; Phil.
H : 7—11. Hij kwam om den Satan te
bestrijden — Hij keert terug als over-
I winnaar, Ps. LXVIII : 19. Zie de woorden
des Vaders tot den Zoon, Ps. CX : 1.
II. Christus aan de rechterhand
Gods.
Is Hij heengegaan en heeft Hij Zijne
Gemeente verlat^? Heeft Hij de wereld
vergeten, waarin Hij geleefd heeft? Geens-
zins, Hij is daar als onze Vertegen-
! woordiger.
I 1. Als de Hoogepriester. Elk jaar, op
, den «Grooten Verzoendag», ging de Priester,
I nadat hij de offeranden voor de zonde
i ha 1 geofferd, binnen het Voorhangsel in
; het Heilige der Heiligen; waarmede? (a)
Met het bloed van het offer; (6) met reuk-
werk, om dat voor God te branden. Dit alle&
was een type, een beeld van het werk
van Christus. Zie Hebr. IV : 14, VI : 19,
20, VIII : 1, IX : 11, 12, 24, X : 12.
Hij offerde Zich, als «een slachtoffer voor
de zonden» (X : 12) — daarna ging Hij
binnen het Voorhangsel {zie Les LXXVII)
— weggenomen voor het oog der men-
schen — in Gods tegenwoordigheid —
om (als het ware) Zijn bloed aan God aan
te bieden — en nog iets anders, het rew/c-
werk. Zijn Middelaarschap voor ons.
\ Hij is nog altijd daar en pleit voor ons;
daarom kunnen wij «volkomenlijk zalig
worden», Hebr. VII : 20; Rom. VHI: 34.
Zie ook Hebr. II : 17, IV : 15, 16.
2. Als een Voorspraak. Wat is eene-
voorspraak? {Leg nader uit: bij rechtszit-
tingen zijn ook voorspraken, advocaten).