Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXXII. DE MORGEN AAN DE ZEE VAN TIBERIAS.
391
Zijn deze woorden alleen voor Petrus?
Neen, voor allen, zie 2 Tirn. III : 12.
Gij zult niet gekruisigd behoeven te
worden; maar gij zult « een kruis moeten
opnemen» — uvo kruis — de eene of
andere moeilijke, smartelijke zaak — in-
dien gij Christus wilt volgen, Matth. XVI:
24; maar wat zal het einde zijn? Joh.
XII : 26, Petrus en de Apostelen hebben
dit loon reeds lang ontvangen, en dui-
zenden anderen met hen.
Aanteekeningen.
1. «De Zee van Tiberias» — een
andere naam voor het Meer van Gene-
zareth; zie hierover Aanhangsel VI en
kaart op blz. 98,99. Tiberias was de voor-
naamste stad aan de oevers van het Meer.
2. ({Openbaarde Zichzelven». Al de
verschijningen van onzen Heer na Zijne
opstanding worden op soortgelijke wijze
beschreven. Hij was niet zichtbaar, behalve
wanneer Hij dit wiWe zijn. Zie Les LXXIX,
Aant. 2. Trench merkt op, dat dit het-
zelfde is met de verschijningen van engelen.
«De menschen zien ze niet, maar zij
verschijnen aan de menschen, en zijn
alleen zichtbaar voor diegenen, tot wie zij
gezonden zijn, en aan wie zij zich willen
vertoonen t.
Johannes noemt dit de derde verschij-
ning van Christus; d. w. z. de derde aan
de vergaderde discipelen.
3. Waarom gingen de A postelen visschen ?
Niet omdat, zooals sommigen meenen, zij
den dienst van Christus verlaten hadden;
maar als een tijdelijk middel van bestaan.
Eerlijke arbeid is niet onvereenigbaar met
een toestand van wachten op den Heer.
4. Er was niets in de woorden van
Christus tot de discipelen in de boot, wat
elke vreemdeling niet even goed had kun-
nen zeggen. «Kinderkens» is in het Oosten
eene gewone uitdrukking om per.sonen aan
te spreken. «Toespijs» beteekent voedsel
in het algemeen en de vraag staat gelijk
met «Hebt gij iets gevangen?» Daar zij
blijkbaar niets vreemds vonden in de aan-
wijzing om « het net aan de rechterzijde
van het schip te werpen», dachten zij
waarschijnlijk, dat de vreemdeling daar
eene school visschen zag. Scholen kunnen
dikwijls van den hoogen oever of van eene
rots af onderscheiden worden door de
kleur van het water, terwijl de visscher '
dicht bij kan zijn, zonder er iets van te
zien. In sommige kuststreken plaatsen zich
mannen op de vooruitstekende rotsen,
waar zij de zee goed kunnen gadeslaan,
en geven een sein aan de booten, waar
I de netten voor de visch geworpen moeten
I worden. Het wonder lag in het groote
aantal «groote visschen», welke de macht
' van den Heer op dat oogenblik op die
plaats deed komen.
Het verschillende karakter der twee
: mannen komt hier weder duidelijk aan
het licht: de nadenkende Johannes her-
kende Christus het eerst, en de haastige
Petrus ging het eerst naar Hem toe.
5. Het «scheepje» (vers 8) was de
j ploiarion of kleine boot, welke aan het
! «schip» (ploion), nl. het groote visschers-
vaartuig, was vastgemaakt. Zie Les XX,
Aant. 5.
6. Augustinus en andere oude schrijvers
hebben zich in uitvoerige berekeningen
verdiept, om aan te wijzen waarom het
getal der visschen i53 was; maar de be-
teekenis ligt denkelijk alleen in het feit,
dat het een bepaald en niet een rond
getal was, hetgeen aanduidt, dat God met
juistheid het getal Zijner uitverkorenen
weet.
7. «Komt herwaarts en houdt het
middagmaal. » — letterlijk « gebruikt het
ochtendmaal».
8. In de twee beelden van den Visscher
en den Herder beschrijft Christus de twee
takken van het leeraarsambt, het prediken
voor de heidenen en goddeloozen en het
herderlijke weiden en hoeden van de kudde
der geloovigen. De wijze, waarop Petrus
j zelf door den «Grooten Herder» behan-
' deld werd, is een toonbeeld van dezen
, herderlijken arbeid. « De gebeden, de waar-
schuwingen, de liefdevolle blik, de bood-
! schap van den engel, het afzonderlijke
onderhoud, het gesprek bij het Meer, al
I deze dingen spraken Petrus van de zorg,
de goedheid, het liefderijke medelijden,
de vergevende liefde, waarvan hij het
voorwerp was geweest. Zoo had Jezus met
hem gehandeld; dat hij nu heenga, en
anderen met evenveel liefde tegemoet trede,
als Christus het hem had gedaar>».
9. Eenige zeer belangrijke pimten in