Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXXII. DE MORGEN AAN DE ZEE VAN TIBERIAS.
389
getrokken? waarom niet? vers 6. Dit is
niet enkel een «man, die eene school
visschen ziet », — « het is de Heer ! »
Ja, Christus heeft dezen tijd gekozen,
om tot hen te komen. Waarom, denkt gij ?
Deed Hij het niet, om aan hen en aan
ons te toonen, dat Hij altijd Zijne dienst-
knechten gadeslaat, dat niets te gering is
voor Zijne aandacht; dat Zijne bevelenen
Zijne zegeningen kunnen komen, wanneer
zij het minst verwacht worden? Hij kan
tot u komen, niet alleen in de kerk, maar
op school, in de werkplaats, op straat,
onder het spelen. Houdt gij, evenals Haba-
kuk (H : 1), «wacht, om te zien, wat Hij
in u spreken zal »?
Maar zij moesten dien dag nog veel
meer leeren. Nog twee gewichtige lessen: —
I. Hoedanig hun arbeid voor
Christus zoude zijn.
Toen Jezus voor het eerst deze visschers
had geroepen, wat zeide Hij toen, dat
Hij hen maken zou? Mark. 1 : 17 (zie
Les XX) — en zie Zijne gelijkenis over
het uitwerpen van het net, Matth. XHl :
47. Wat leeren zij nu nog meer van dit
geestelijke visschen, dit « vangen van men-
schen » ?
(a) Het zoude een zwaar en dikwijls
ontmoedigend werk zijn. Hoe dikwijls '
ondervond Paulus dit! En somtijds gebeurt '
het ook nu, dat wij, onderwijzers, «het
geheele jaar arbeiden, en niets vangen», j
Hoe staat het daarmede in deze klasse f \
(b) Maar Zijn oog zoude hen gadeslaan ,
en Zijne stem hen besturen. Zie Mark. |
XVI : 20; Hand. XVHI : 9, 10. i
(c) Zij moesten luisteren naar Zijne
bevelen, en ze zonder te vragen opvolgen;
dan zouden zij een goeden uitslag hebben.
Zie Hand. XVI : 6—10.
(d) Nog iets. Zie hoe de mannen de i
visch naar den oever brengen — zij zijn ■
in een bootje (zie Aant. 5) en sleepen
het net door het water. Zal het niet scheu-
ren? Het schijnt wel, alsof dit zal gebeu-
ren, toch wordt het veilig aan land gebracht,
en de visch nauwkeurig geteld, vers 8,
11. Dit is eene aanmoediging voor hen!
In de Gelijkenis van het Net worden
goede en slechte visschen gevangen, en
naderhand gescheiden; hier zijn alle goed
en worden zij alle veilig aan wal gebracht.
Wat beteekent dit? Geen enkele, die door
hun toedoen waarlijk bekeerd was, zou
verloren gaan. Op de hemelsche kusten
zouden zij allen geteld worden — en geen
hunner zou ontbreken (Zie Aant. 6).
(e) Er is geen visch noodig voor het
ochtendmaal, zie vers 9 — dit is reeds
bereid (zie Aant. 7) — de Heer noodigt
hen uit er deel aan te nemen! Vanwaar
kan het gekomen zijn? Denk eens na —
van waar kwam het soortgelijke voedsel
(brood en visch) voor de 5000 menschen,
een jaar vroeger? Joh. VI : 10, 11. En
in den Hemel zal ook een feest zijn —
de getrouwe «visschers der menschen»
zullen met hun Meester aanzitten in heer-
lijkheid.
II. In welken geest het werk van
Christus gedaan moet worden.
1. De arbeiders vayi Christus moeten
Hem lief hebben.
Zie vers 15—17 (Zie ^anï. 9). Beschou-
wen wij:
De drie vragen — « Hebt gij Mij lief? »
Waarom wordt dit aan Pefrus gevraagd ?
Wat had hij dien morgen gedaan, toen
de menigte visschen in het net kwam?
Zijne metgezellen geholpen? Neen, hun
het werk laten doen — zelf was hij naar
do kust gezwommen om het eerst bij Jezus
te zijn. Juist iets voor hem! — zichzelf
op den voorgrond te stellen — te denken,
dat hij Jezus het meest liefheeft, evenals
vroeger, Matth. XXVI: 33. JohanneshXeeï
helpen; had hij Jezus minder lief?