Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
V. DE BESNIJDENIS EN DE VOORSTELLING IN DEN TEMPEL.
Les — De besnydenis en de voorstelling in den Tempel.
i( Geworden onder de Welf».
Te lezen — Luk. II : 21—38
Te leeren — 2 Cor. V : 21; Rom. V : 19 (Gez. G2 : 1).
Voor den Onderwijzer.
Het voor de Les bestemde gedeelte van den Bijbel moet vooral niet vers
voor vers genomen worden. Indien men het zoo onderwees, zou het eene les
zijn over Simeon, wiens geschiedenis in elf verzen van de achttien wordt
behandeld. Het doel is echter niet om het Evangelie van Lukas, maar het
Leven van Christus te behandelen, en in het leven van Christus is het ééne
vers, dat Zijne besnijdenis verhaalt, even belangrijk als de andere zeventien;
aan dit vers is derhalve de halve Les gewijd. Om dezelfde reden zie men in
de toepassing meer op het werk van Christus, dan op het karakter van Simeon ;
meer op het leerstellige, dan op het praktische deel van den tekst. De ^e^oor-
zaamheid van Christus als plaatsvervanger, is eene belangrijke waarheid, die
niet in onze Lessen voorkomt; men late daarom deze gelegenheid om er over
te spreken, niet ongebruikt voorbijgaan. Wanneer men echter aandringt op de
navolging van Zijn voorbeeld, dan moet in het oog gehouden worden, dat Hij
aan eene wet gehoorzaam was, die schijnbaar voor Hem niet gold, en met
eenige vrucht kan het toegepast worden op de instelling, welke in de plaats
der Besnijdenis is gekomen, nl. den Doop en in sommige gevallen ook de
Aanneming Men late niet na op te merken, hoe deze handeling zelve een
getuigenis geeft voor den Kinderdoop (als overeenkomende met de besnijdenis).
Schets van de Les.
I. De Besnijdenis.
Wanneer er in Judea jongentjes werden
geboren, wat moest er dan op Gods bevel
gedaan worden? Zie Gen. XVH ; 9—14. Zie
hoe Abraham dit gebod opvolgde, toen
Isaak geboren was, Gen. XXI : 4. En
naderhand gebeurde dit met alle pasge-
boren jongentjes. De Joden waren zeer
trotsch op dit gebruik (Phil. Hl: 4, 5) en
noemden andere volken op verachtelijke
wijze «de onbesnedenen» b.v. David (1 Sam.
XVH : 26) en de eerste Christenen te
Jeruzalem (Hand. XI : 2, 3). Waarom?
Het was een teeken van het verbond
tusschen hen en God — een blijk, dat zij
Gods uitverkoren volk waren. Behooren
niet alle menschen tot Gods volk? Door
de Schepping ja — maar wat scheidt hen
van Hem? — de zonde. De Besnijdenis
beteekende dus het afleggen der zonde.
Is dit nog steeds zoo? Zie Gal. V : 6,
VI : 15. Maar in plaats daarvan hebben
wij nu, voor jongens en voor meisjes —
wat? De doop is, evenals de besnijdenis,
«het uitwendige en zichtbare teeken van
eene inwendige en geestelijke genade»,
n.l. onze aanneming tot kinderen Gods,
tot leden van zijn uitverkoren volk; hij
beteekent de aflegging der zonde en ook
de wijze waarop dit kan geschieden {door