Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
388
LXXXII. DE MORGEN AAN DE ZEE VAN TIBERIAS. 388
Bij het bespreken van de liefde tot Christus wordt, om te onderzoeken of
de kinderen Hem liefhebben, gewoonlijk de vraag gedaan: <s. Gehoorzaamt
gij Hem dan?» Deze wijze van onderzoek worde slechts spaarzaam en met
voorzorg toegepast. Wanneer wij willen weten of een kind zijne moeder lief-
heeft, vragen wij niet «Hoe gedraagt gij u?» Liefde is eene gewaarwording,
welke men met zelfbewustheid gevoelt. Petrus wist, dat zijn gedrag zijne liefde
had weersproken, en toch gevoelde hij, dat hij zijn meester liefhad, en deed
met vol vertrouwen een beroep op de alwetendheid van dien Meester. Wij
zouden eerder zeggen: «Indien gij den Heiland liefhebt, moet gij dit gevoelen
en weten»; en dan voortgaan, niet met het aandringen op den piic/tt om Hem
lief te hebben, maar met een uitweiden over Zijne liefde jegens ons. Indien
wij wenschen, dat anderen een ons dierbaren vriend liefhebben en achten,
kunnen wij dan niet het best de verlangde gevoelens bij hen opwekken,
door hun te vertellen hoe hij is?
Deze Les is eene goede gelegenheid, om den kinderen in het kort aan te
toonen, waarom wij hen komen onderwijzen. Christus gaf aan Zijne Kerk
de opdracht, om «Zijne lammeren te hoeden,» en de Kerk draagt ons op dit
werk te ondernemen. De Zondagschoolonderwijzer neemt niet de taak der
ouders op zich. Zijn arbeid maakt de verplichtingen van dezen niet minder.
Hij staat niet in de plaats der ouders, maar in de plaats van den herder. Het
werk der Zondagschool zal niet naar recht gewaardeerd worden, totdat meer
algemeen wordt erkend, dat dit de wezenlijke grondslag er van is.
Schets van de Les.
Het is een lange tijd geleden, sedert
wij in Galilea waren. Heden komen wij
er weder. De Apostelen zijn in hunne
oude woning bij de Zee {Zie Aant. 1).
Hoe komen zij daar? Mark. XVI : 7 —
zij wachten, om den 'Heer weder te ont-
moeten. Ondertusschen hervatten zij hunne
oude bezigheid {zie Aant. 3) — zie hoe
zij uitgaan in een groot visschersvaartuig
{zie Aant. 5) — het is avond — zij blij-
ven den geheelen nacht arbeiden en zwoe-
gen met het werpen en ophalen van het
net — met welk gevolg? vers 3. De dag
breekt nu aan — er is geen visch te
krijgen — hoe vermoeid en teleurgesteld
zijn zij!
Aan welk ander oogenblik in hun leven
zouden zij herinnerd worden? Luk. V :
1—11. Ach! toen was de Meester bij hen,
en wat had Hij gedaan? Maar nu schijnt
alles geheel anders — Hij is niet meer
bij hen in hun dagelijksch leven — zij
kunnen slechts verwachten, dat Hij hen
zal bezoeken (als te Jeruzalem), wanneer
zij vergaderd zijn tot het gebed — de
mislukking van hun vischvangst is eene te
geringe zaak, dan dat Hij er acht op zal
slaan — zij kunnen geene hoop voeden,
dat er nogmaals zulk een wonder geschie-
den zal.
Een man, die aan den oever staat, roept
hun toe, vraagt op vriendelijken toon hoe
het hun gegaan is, en zegt dan, dat zij
het nog eens moeten beproeven en de
plaats waar. Is dit vreemd? Neen — mis-
schien (denken zij) kan hij zien waar de
school visschen is {zie Aayit. 4) — het
kan geen kwaad, indien wij het beproeven.
Het net wordt spoedig neergelaten —
maar wordt het even spoedig weder op-