Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
386
LXXXI. IN DE OPPERZAAL. 386
voor ons? Hebben wij «geloofd»? Wat
moeten wij gelooven?
(а) Dat Jezus God is. Welnu, dit ge-
looven wij. Ja, maar behandelen wij Hem
als Onzen God; eeren, gehoorzamen en
dienen wij Hem; verheffen wij onze har-
ten, en zeggen wij, evenals Thomas, met
liefde en aanbidding: «Mijn Heer en mijn
God » ?
(б) Dat Jezus Mensch is — Mensch ook
nog in den Hemel, met het wezenlijke
lichaam, dat uit de dooden verrees. Wij
gelooven dit ook. Maar denken wij er aan
welke zelfvernedering het is, dat Hij de
Menschheid opnam in Zijne Godheid, en
zien wij tot Hem op als onzen medelij-
denden Vriend en eeuwige Voorspraak?
(c) Dat Jezus voor onze zonden stierf
— dat die teekenen der nagelen voor
ons werden gemaakt. Dit gelooven wij
ook. Maar zijn wij tot Hem gekomen, opdat
Hij onze eigen zonden wegneme? En
hebben wij afstand gedaan van de zonde
uit liefde tot Hem?
Is dit zoo, dan is er « vrede » voor ons,
Rom. V : 1, 2. Maar nog meer — zie 2den
tekst om te leeren — « hoewel Hem niet
ziende, maar geloovende,» — wat?
Aanteekeningen.
1. Het is best mogelijk, dat het vertrek,
waarin de discipelen vergaderden, hetzelfde
was, waarin het Laatste Avondmaal werd
gegeten. Dit was eene « opperzaal », en na
de Hemelvaart vinden wij hen weder te
zamen in eene «opperzaal» (Hand. I : 13).
De eigenaar van het huis was zeer waar-
schijnlijk zelf een discipel, zie Les LXH,
Aant. 3.
Lukas zegt, dat de « Elven » vergaderd
waren, ofschoon Thomas afwezig was.
Deze uitdrukking wordt, evenals «de Twaal-
ven », als een verzamelwoord gebruikt, en
duidt de Apostelen in het algemeen aan,
zonder dat daardoor altijd het juiste aan-
tal wordt aangewezen. Paulus spreekt van
deze zelfde verschijning, als zijnde aan «de
Twaalven », 1 Cor. XV : 5.
2. Men moet niet veronderstellen, dat
Christus de deur op onzichtbare wijze
opende, en aldus binnenkwam. Voor Zijn
verrezen lichaam waren zulke stoffelijke
hinderpalen blijkbaar in het geheel geene
verhindering. Zie Les LXXIX, Aant. 2.
3. Toen Christus op de discipelen blies,
was dit niet het schenken van de gave
des Heiligen Geestes, welke niet voor Pink-
steren gegeven werd; het was eerder eene
zinnebeeldige profetie van de gave, die
komen zou.
Over het veelbetwiste 23ste vers zijn de
volgende uittreksels de beste uitlegging: —
«Aan geen menschelijk wezen, behalve
aan Christus alleen, is de macht om zonden
te vergeven oorspronkelijk en in haar
geheel door God geschonken. Zie Matth.
IX : 6; Openb. Hl : 7. Maar de toelating
tot de Kerk (nl. tot Christus* koninkrijk
op aarde) door den doop, de buitensluiting
door den ban, de wederopneming in de
Gemeente door de kwijtschelding van zonde
en opheffing van den ban — dit zijn
rechten, welke Christus aan Zijn volk af-
staat, en in het bijzonder aan de regeerders
en oudsten Zijner Kerk ».
«De Apostelen, ofschoon zij de gave
der talen hadden ontvangen — bezaten
niet de macht om werkelijk de schuldver-
geving te schenken, welke de ziel voor
den rechterstoel van Christus voor alle
gevaar zou vrijwaren; evenmin mochten
zij den bliksem der wrake slingeren en
overtreders veroordeelen tot den poel van
vuur en zwavel.... De macht om zonden
te houden en te vergeven was slechts
hetzelfde gezag (als te « binden en te ont-
binden») in andere woorden uitgedrukt
« Het vergeven en het houden van zon-
den stemt overeen met het ontbinden en
binden, waarvan bij andere gelegenheden
gesproken wordt (Matth. XVI : 19,XVHI:
18)».
«Met de gave en het werkelijke deel-
genootschap van den Heiligen Geest komt
de overtuiging en daarom ook de kennis
van zonde, van gerechtigheid en van oor-
deel ---- Zij, die op bijzondere wijze met
Zijne tegenwoordigheid zijn vervuld, bezit-
ten ook op bijzondere wijze de gave om
zonde en berouw bij anderen te onder-
kennen .... De Apostelen hadden dit in
meer dan gewone mate, en door de voell