Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXXI. IN DE OPPERZAAL.
385
Maar hoe zullen zij geschikt zijn voor
zulk een werk ? Zij zijn reeds in gebreke
gebleven — zal dit niet weder gebeuren?
Ja, indien zij aan zichzelven overgelaten
werden. Maar zij zullen niet verlaten wor-
den; de beloofde «Trooster» zal komen;
en wat doet Jezus, om hen hiervan te
verzekeren? vers 22. Waarom «blies»
Hij? Dit is een teeken van leven — wat
beteekent «den laatsten adem uitblazen» ?
Zoo had God aan Adam het lichamelijk
leven gegeven door «in zijne neusgaten
te blazen den adem des levens » (Gen. H:
7) — maar het zieleleven komt van den
Heiligen Geest (zie Rom. VIII : 5-13;
verg. Ezech. XXXVH : 9; Joh. IH: 6-8).
Zonder Hem dood; met Hem levend
en met kracht vervuld, om het werk van
Christus te doen.
En dan, door Christus gezonden, door
den Geest geleerd, zijn zij geschikt om
oversten en rechters in de Kerk te zijn,
vers 23 — te straffen en vergeving te
schenken dengenen, die iu de Kerk ge-
zondigd hebben. Zie hoe Petrus naderhand
aldus optrad. Hand. V : 1—11, VIH : 18
—24; en Paulus, 1 Cor. V : 3—5, 13;
2 Cor. II : 6—10. {Zie Aant. 3).
n. De Tweede Zondagavond.
Joh. XX : 24—29.
Een der Apostelen was dien avond niet
tegenwoordig. Hoe blijde zal hij geweest
zijn, toen hij het nieuws hoorde — welk
een spijt zal hij gevoeld hebben over zijne
afwezigheid! Was dit zoo? vers 25. Hoe
kwam dit? Had Thomas Jezus niet lief?
Ach ja, zie XI : 16; toch doet diezelfde
tekst ons zien wat de eigenlijke oorzaak
voor zijn ongeloof was — hij was zwaar-
moedig en spoedig ter neer geslagen — zag
van alles de donkere zijde; (oen dacht hij,
dat zij allen gingen sterven; zoo ook in
Joh. XIV : 5, welk eene treurige en moe-
delooze vraag doet hij daar! En nu had
hij alles opgegeven — de anderen konden
misschien nog eene voorbijgaande hoop
koesteren, dat zij eens hun gestorven Mees-
ter terug zouden zien — maar hij niet —
hij is vastbesloten op dit punt. Wanneer
dus het nieuws hem ter ooren komt «Wij
hebben den Heer gezien », schudt hij mis-
schien treurig het hoofd — zij kunnen
zich door hersenschimmen laten misleiden,
hij niet, — slechts één ding zou hem zeker-
heid geven (wat? vers 25) en daar is
natuurlijk geen sprake van — «neen,
ik zal geenszins gelooven».
Toch wordt hij overgehaald weder met
hen samen te komen — op den volgen-
den « avond van den eersten dag» verga-
deren zij. De deuren zijn evenals den
eersten keer gesloten (vers 26); echter
staat Jezus weder eensklaps in hun mid-
den ! Eerst de groetenis «Vrede» — en
dan —? vers 27. Begeert Thomas nu de
wonden te voelen? neen, hij heeft een
beter bewijs — ziet, dat Jezus al zijne
gedachten kent, — die Meester, dien hij
dacht, dat gestorven en voorgoed van
hen henengegaan was, heeft de geheele
week zijn treurig gemoed gadegeslagen
— alle dingen «naakt en geopend» voor
Hem (Hebr. IV : 13). Nu weet hij dus,
dat het Jezus is. Nog meer: het is licht
geworden in zijn hart (verg. Nathanaël,
Joh. I : 46—49) — hij ziet alles —
ziet, wat de andereu nog niet ten volle
gezien hebben — deze Jezus is niemand
anders dan God! merk op, hoe hij Hem
noemt, vers 28.
Zie nu wat Jezus tot Thomas zeide,
vers 20. Het is een zegen voor Thomas, dat
hij nu gelooft; maar er is nog een betere,
eene gelukzalige zaak. Welnu, één ding
hiervan is op ons toepasselijk — wij
hebben «niet gezien»; is nu dezegen
25