Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
384
LXXXI. IN DE OPPERZAAL. 384
van alle kanten, een betwijfelen en beves-
tigen van alles, wat dien dag gezien en
gehoord is.
Eensklaps — daar is Jezus! Maar de
deur is met grendelen gesloten, hoe kwam
Hij binnen? Hij kan het niet zijn! Is het
een geest? Geen wonder, dat zij «verschrikt
en zeer bevreesd» zijn (L^jkas). Maar nu
verbreekt Zijne stem de ademlooze stilte
— (iVredey). Zie dan, wat Hij doet —
drie zaken:
1. Hij stelt hen gerust-door te toonen,
dat Hij zelf het is. Aan die stem valt
niet te twijfelen; toch zal Jezus in Zijne
teedere liefde hen geheel overtuigen. Drie
bewijzen. Luk. XXIV : 38—43:
(а) uZiet Mijne handen en Mijne voe-
ten». De teekenen der nagelen zijn er
nog! Zijn lichaam is veranderd — eerst
een zwak, sterflijk lichaam gelijk het
onze, onderworpen aan pijn, vermoeienis
en honger — nu een « heerlijk lichaam»
(Phil. Hl :21), volmaakt en onsterllijk —
al de zwakheden zijn in het graf achterge-
laten, maar niet die teekenen der nagelen
— de smadelijke slavendood moet nooit
vergeten worden — waarom, denkt gij?
(б) « Tast Mij aan en ziet n. Zij moes-
ten weten, niet alleen door het zien, maar
door de aanraking — de oogen konden |
bedrogen worden, konden meewen, dat Hij !
daar was — maar Hij is geen spooksel, j
geen geest — zij kunnen vleesch en been
voelen (1 Joh. 1:1). Jezus heeft nog een
wezenlijk lichaam. Wat denken en gevoe-
len de discipelen nu? Blijdschap en ver-
wondering (Lukas); «verblijd» (Johannes);
Joh. XVI : 22 is vervuld; — toch zijn zij
zoo verheugd, dat zij het nog niet kunnen
gelooven! (Luk.) — het is te heerlijk,
om waar te kunnen zijn! (Verg. Ps. CXXVI:
1, 2). Dus nog een bewijs:
(2) Hij verzekert hen van Zijne ver-
gevensgezindheid en liefde.
«Vrede zij ulieden», niet alleen de ge-
wone begroeting, maar Hij zegt hei twee-
maal. Waaraan zou het hen herinneren?
Drie avonden te voren zeide Hij het tot
hen in diezelfde kamer (zie Aa7it. l)Joh.
XIV : 27. Ja, maar toen waren zij Zijne
getrouwe dienstknechten, gereed om met
Hem te sterven; en wat hebben zij sedert
dien tijd gedaan? Zij kunnen niet anders
dan blijde zijn, nu zij Hem zien; maar
gevoelden zij niet hetzelfde als de zonen
van Jakob, toen Jozef zich bekend maakte?
— zie Gen. XLV: 3, «verschrikt voor zijn
aangezicht». Maar dat woord «Vrede» —
wat verkondigt het aan hen en aan ons?
Vergeving en genade (zie Micha VH : 18,
19), — het is Zijne natuur en Zijn ver-
mogen om altijd genade te hebben en te
vergeven. En wij weten hoe Hij voor
zondaren genade en vrede wist te ver-
krijgen — die teekenen der nagelen her-
inneren ons daaraan.
3. Hij hernieuwt hunne apostolische
zending.
Het is reeds veel om te vergeven —
maar nog veel meer om dan weder te
vertrouwen. (Voorbeeld. — Een jongen
wordt gebruikt voor een werk van veel
belang — hij is nalatig — dit zal hem
misschien vergeven worden, maar zal
men hem ooit weder aan hetzelfde werk
zetten?) «Vrede», een groote genade,
maar dit is niet alles, zie vers 21 — zij
verbeurden hun apostelschap, toen zij Hem
verlieten, toch zal Hij hen weder Apostelen
maken. En welk een ambt is dit! Een
ambt gelijk aan het Zijne; Hij, «gezon-
den» door den Vader — zij, « gezonden»
door Hem (verg. Joh. XVII: 18); Hij, de
Apostel (Hebr. IH : 1) — zij, ook Apostelen;
Hij, gezonden om vrede te maken tus-
schen de menschen en God (Col. I : 20),
zij, om vrede te verkondigen (2 Cor. V:
18—20).