Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXXI. IN DE OPPERZAAL.
383
Les LXXXL — In de Opperzaal.
«Ziet Mijne handen en Mijne voeten, want Ik hen het Zelf».
Te lezen — Luk. XXIV : 36-43; Joh. XX : 19—29.
Te leeren — Hand. X : 40, 41; 1 Petr. I : 8. (Ps. 27 : 7; Gez. 57 : 6, 9).
Voor den Onderwijzer.
In het algemeen denkt men, dat alleen de plaats, waar een verhaal voorvalt,
en (om zoo te zeggen) de stoffeering er van, aanleiding kunnen geven tot
beschrijvingen. Maar de belangrijkste en nuttigste beschrijvingen zijn niet
die, welke de studie der Joodsche topographie, oudheden en gewoonten, hoe
noodig deze ook is, ons aan de hand geeft. Zij moeten ten doel hebben om
de volle beteekenis van de eenvoudige taal der Schrift door een gepast gebruik
der verbeeldingskracht te doen uitkomen. Hier is bijna geene gelegenheid
tot schildering van tafereelen, en alle bespiegelingen over het voorkomen van
het opgewekte en tot grootere volmaaktheid gekomen lichaam des Heilands
zouden zoowel onverstandig als nutteloos zijn. Maar wij zien hier verschillende
menschen met uiteenloopende karakters en van onderscheiden gemoedsgesteld-
heid, die achtereenvolgens al de trappen van moedeloosheid, vrees, twijfel,
hoop, verrassing, blijdschap doorloopen; en indien de onderwijzer, door
ernstige overdenkingen gedurende de uren van voorbereiding, zich in den
toestand dier menschen kan verplaatsen, en zich een denkbeeld, hoe flauw
ook, kan vormen van de opvolgende verandering in hunne gewaarwordingen,
dan zal hij ondervinden, dat de kinderen in niets zooveel belang stellen als
in eene levendige beschrijving van menschelijke gemoedstoestanden. Dit heeft
zoowel betrekking op de oudste als op de jongste klassen.
Schets van de Les.
Aan wie verscheen Jezus op dien eer-
sten dag der week? (Herhaal) — aan
Maria Magdalena, de andere vrouwen, de
Emmaüsgangers. Heden zullen wij twee
verschijningen aan de Apostelen behandelen.
I. De eerste Zondagavond. Luk.
XXIV : 36-43; Joh. XX : 19—23.
Dienzelfden avond zijn allen te zamen,
om over het vreemde nieuws te spreken
(Joh,, vs. 19; Luk., vs. 33). Zij hadden het
eerste bericht der vrouwen niet geloofd (zie
Luk., VS. 22—24), maar nu —niet alleen is
het graf inderdaad ledig, maar de Heer
werd gezien. Zijn allen het echter over
deze zaak eens? Zie Luk., vs. 34; sommigen
zijn overtuigd, Mark. XVI: 14, sommigen
twijfelen nog.
Er wordt aan de deur geklopt — wie
kunnen daar zijn? ja, vrienden — de deur
wordt geopend — die twee komen terug
van Emmaüs, « brandende » van verlangen
(vorige Le») om — wat te vertellen? De
deur wordt weder zorgvuldig gesloten —
waarom? Joh., vs. 19 — zij zouden mis-
schien gevangen genomen en beschuldigd
worden van het lichaam van Jezus ge-
stolen te hebben (zie Matth. XXVHI : 12,
13). Dan volgt een vragen en antwoorden