Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
382
LXXX. DE WANDELING NAAR EMMAllS. 382
begrijpen. Indien gij ze wilt bestudeeren,
dan zult gij ondervinden, dat het met u ook
zoo is. Christus heeft den sleutel; vraag
Hem, dat Hij Zijne schatten voor u opene.
(b) Wanneer Christus ons vergezelt op
onzen weg. Somtijds wandelen twee uwer
samen, evenals deze mannen. Zij spraken
over Hem; waarover spreekt gij? Is het
niet over de zaken, waarin gij het
meeste belang stelt? Matth. XH : 34, en
welke zijn die? (Verg. Deut. VI : 7; Mal.
Hl : 16, 17; 1 Thess. V : 11; Hebr. X :
24). Indien Hij werkelijk «bij u kwam».
zou uw gesprek dan ophouden? En zoo ja,
hoe zoudt gij dan gestemd wezen? Tracht
slechts Christus bij u te hebben — het
schijnt niet zulk eene gelukkige zaak te
zijn, totdat gij het beproeft — maar wan-
neer gij dit eens doet, dan zult gij, even-
als deze twee discipelen, begeerig zijn om
Hem bij u te houden.
Laat ons saam met Jezus wandlen.
Volgen wij dien Heiland na
In ons donken, spreken, handlen.
Waar de reis ook henen gal
Aanteekeningen.
1. Van Kleopas (niet te verwarren met
Klopas (Joh. XIX : 2.=ï) wordt ons, even-
min als van zijn metgezel, iets naders
door de Schrift medegedeeld. De vele ver-
onderstellingen, welke door vroegere Schrift-
uitleggers gedaan zijn, verdienen niet eens
vermeld te worden. Alles, wat wij weten,
is, dat zij niet tot de Twaalven behoorden
(Zie vers 33). De ligging van Emmaüs kan
ook niet met zekerheid aangegeven wor-
den; de plaatsen, die men er gewoonlijk
voor noemt, zijn verder van Jeruzalem
gelegen dan de afstand van 7^2 mijl, die
door Lukas en Josephus wordt vermeld.
2. Dat de twee discipelen Jezus niet
herkenden, wordt daaraan toegeschreven,
dat « hunne oogen gehouden werden », en
zij Hem niet kenden, totdat « hunne oogen
werden geopend ». Markus (XIV : 12) zegt,
dat Hij «in eene andere gedaante» ver-
scheen. Het schijnt wel, alsof de Heer
wilde en maakte, dat zij Hem niet her-
kenden, opdat niets hunnen geest af zou
leiden van de getuigenis der Schrift zelve,
die Hij voor hen ontvouwde. Toch kan
Hij middelen gebruikt hebben om dit te
bewerken; mogelijk was Zijn voorkomen
opzettelijk veranderd, en openbaarde Hij
zich eindelijk aan hen door het welbekende
zegenen, breken en geven des broods, of
(zooals Alford aangeeft) door hun toe te
laten de teekenen der nagelen in Zijne
handen te zien.
Sommigen hebben gedacht, dat de maal-
tijd eene viering van het Heilig Avondmaal
was; maar Trench spreekt dit denkbeeld
0|> overtuigende wijte tegen; en dit zou
ook niet duidelijk maken, waarom zij Hem
herkenden «in het breken des broods»,
want zij waren niet tegenwoordig geweest,
toen, drie dagen te voren, het Avondmaal
werd ingesteld.
3. «Moest» is het woord (5«), waarvan
reeds verscheidene malen opgemerkt is,
dat het zoo dikwijls op beteekenisvolle
wijze van het werk van Christus gebruikt
wordt. «Was het niet noodig, billijk en
gepast?» «Moest de Christus, d. i. de
Messias, niet alzoo lijden? Bewijst daarom
de dood van uw Meester niet, dat Hij de
Messias was?»
«In al de Schriften, hetgeen van
Hem geschreven was». Alford vat dit
« hetgeen» als iets geheel anders op dan
alleen profetieën. «De geheele Schrift»,
merkt hij op, «is eene getuigenis van
Hem; de geheele geschiedenis van het
uitverkoren volk, met hare typen, hare
wetten en hare profetieën, is eene open-
baring van Hem . . . Merk de getuigenis
op, welke dit vers geeft voor het Godde-
lijk gezag en de Christelijke uitlegging van
het Oude Testament; zoodat zij, die loo-
chenen, dat in het Oude Testament op het
lijden en de heerlijkheid van Christus gewe-
zen wordt, niets minder loochenen dan
hetgeen Hij Zelf geleerd heeft».
De genoegzaamheid van de Schrift
alleen, zonder eenige persoonlijke openba-
ring van Christus, wordt op treffende wijze
in dit verhaal aangetoond. « Indien zij Mozes
en de profeten niet hooren, zoo zullen zij
ook, ai ware het, dat er iemand uit de
dooden opstond, zich niet laten gezeggen ».