Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXX. DE WANDELING NAAR EMMAllS.
381
ten — denken niet aan de lange wande-
ling, zij gaan terug — nu is het eene
donkere reis, maar hoe licht in hunne
harten! Stel u voor, hoe zij de «opperzaal»
binnenijlen, ademloos en verhit, om de
blijde tijding mede te deelen. Zij vergissen
zich niet — Petrus heeft Hem ook gezien
(vers 34) — « De Heer is waarlijk opge-
staan !»
II. Wat maakte deze harten
'«brandende?»
Zie vers 32 — « als Hij tot ons sprak
op den weg, als Hij ons de Schriften
opende». Hier zijn twee zaken:
1, Het openen der Schriften. aOpenen»,
d. i. verklaren, duidelijk maken. De Schrift-
geleerden trachtten uitleggingen te geven,
maar hoe konden zij dat? — zij verstonden
ze zeiven niet — hadden geen sleutel.
( Voorbeeld. — Eene kist is gesloten — de
kinderen hebben haar nooit open gezien
— hoe kunnen zij voorgeven elkander
te vertellen, wat er in is"? — maar de
vader komt met den sleutel — laat al de
fraaie zaken zien — de kinderen ver-
wonderen zich)
Hoe « opende Jezus de Schriften » ? Vers
27 — Hij verklaarde, wat daar omtrent
Hem Zelf gezegd werd. Hij, de overwinnaar
der slang (Gen. Hl : 15); Hij, de ware
toevluchtsark (Gen. VII); Hij, het zaad van
Abraham, waarin alle geslachten gezegend
zouden worden (Gen. XXH : 18); Hij. het
Lam, dat geslacht was (Exod. XII), de
zondedragende Olferande (Lev. XVI), de
ware Hoogepriester (Exod. XXVIII); Hij,
de groote Profeet (Deut. XVIII : 15); Hij,
de Konini.% die «in gerechtigheid zou
regeeren» (Jes. XXXII : 1; Ps. II, XLV,
LXXH); Hij, het «Kind, dat geboren»
was (Jes. VH : 14, IX : 5); Hij, de ge-
heimzinnige Lijder (Ps. XXH, Jes. LIII);
Hij, de «Heere, onze Gerechtigheid»
(Jer. XXIH : 6); Hij, de groote «Zoon
des iVIenschenn (Dan. VII); Hij, de «Zon
der Gerechtigheid» (Mal. IV : 2), enz.,
enz. {Zie Les II).
2. Het gezelschap van Christus. « Als
Hij tot ons sprak op den weg>>. Het is
waar. zij wisten niet wie het was; maar
dit loont nog meer Zijne macht om het
hart te doen ontbranden. Hier is (zooals
zij denken) iemand, die ons volmaakt
vreemd is; en toch laten zij zich spoedig
ontvallen, dat zij discipelen zijn; hetgeen
Petrus bevreesd was te belijden, en het-
geen de Apostelen voor de Joden verbor-
gen met gesloten deuren (Joh. XX : 19);
en na twee of drie uur met Hem geweest
te zijn, kunnen zij er niet aan denken
afscheid van Hem te nemen. Ofschoon zij
Hem niet kenden, maakt Zijne tegenwoor-
digheid hen gelukkig.
Ons hart kan, evenals het hunne,
«brandende »> zijn — wij kunnen de-
zelfde blijdschap hebben als zij, toen zij
naar Jeruzalem terugkeerden. «En op
dezelfde wijze » —
(ct) Wanneer de Schriften voor ons ge-
opend worden. Is uw hart nooit «bran-
dende» geweest, door het hooren en
lezen van hetgeen in Gods Woord staat?
Waarom niet? Of waarom zoo zelden?
Omdat wij zoo onverschillig zijn. Dat
waren deze mannen niet; onverstandig en
onwetend waren zij, maar zij hadden den
Heer Jezus lief — daarom luisterden zij
met zooveel belangstelling. Zegt gij, dat
gij even aandachtig zoudt luisteren, indien
Jezus zelf tot u sprak? Maar zij wisten
niet, dat Hij het was; en somtijds, wan-
neer een leeraar of onderwijzer spreekt,
is het Christus, die door zijnen mond
spreekt. Zegt gij, dat het Evangelie niet
nieuw voor u is, zooals het voor hen
was? Maar de Schriften waren »Jie^ nieww
voor hen — zij kenden ze zonder ze te