Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
380
LXXX. DE WANDELING NAAR EMMAllS. 380
Maar het is niet alleen droefheid om hun
verlies — ook bittere teleurstelling —
waarover? Zie vers 21 — wij « hoopten »,
wij geloofden en vertrouwden, dat Hij de
langverwachte Messias was (Luk. I; 68—
75; Hand. XXVI : 6, 7), daarom schaar-
den wij ons aan Zijne zijde, bekommerden
ons niet om smaad en tegenstand, zagen
uit naar den dag, waarop alle menschen
Hem zouden belijden en Hem vol vreugde
tot Koning van Jeruzalem zouden kronen —
maar nu — is alles voorbijl Zij hebben
alle hoop opgegeven — verwonderen zich,
dat zij zich aldus konden laten misleiden;
misschien denken zij er aan, hoe er in
later jaren om hen gelachen zal worden
als «dwaze volgelingen van denman, die
gekruisigd werd», en toch kunnen zij
dien eersten indruk niet van zich afschud-
den, vers 19 — Hij was toch «een profeet,
krachtig in werken en woorden».
Zie nu, hoe hun ontnuchterd en teleur-
gesteld hart begint te branden.
1. Het brandt van belangstelling. Een
vreemdeling, hun onbekend, gaat denzelf-
den weg — voegt zich bij hen. — Zijne
vriendelijke vragen (vers 17) maken, dat
zij Hem hunne treurige geschiedenis ver-
tellen. Welk een vreemd antwoord! vers
25, 26. «O, ouverstandigen« — dan zijn
zij toch dwaas geweest —jü, maar waar-
om? Niet omdat zij zoo spoedig geloofd
hebber), maar oimlat zij «traag» zijn in
het gelooven I En nu luisteren zij — ge-
durende de geheele verdere wandeling,
terwijl zij de heuvelen bestijgen eu weder
afdalen, door de wijngaarden en rijpe
korenvelden heen, tot aan Emmaüs. Geene
verrassende verhilen van reizen en won-
derlijke avonturen — slechts eene les in
de bijbelsche geschiedenis; — verveelt het
hun of worden zij ongedurig? Het onder-
werp is oud — zij hoorden er altijd in
de Synagogen over spreken — maar stellen
zij er nu geen belang in? Hun hart wordt
meer en meer « brandende -> in hen, ter-
wyl zij met gretigheid die woorden van
liefde en wijsheid opvangen.
Wat spreekt Hij tot hen? Hij verklaart
hun, dat diezelfde dingen, welke hen had-
den overtuigd, dat hun Meester niet de
Messias was — gevangenneming, veroor-
deeling, het kruis, het graf — juist be-
wezen, dat Hij de Messias was! — De
Messias moest sterven en op die wijze
(niet door tegen de Romeinen te vechten)
«in Zijne heerlijkheid ingaan» 1 Nu erken-
nen zij het — «Jezus was waarlijk de
Messias — alles zal terecht komen — wij
zullen Hem wederzien »; hoe dankbaar zijn
zij hunnen metgezel, dat Hij hun dit ge-
zegd heeft. (Nog weten zij niet, wie Hij is).
2. Brandende van plotselinge verras-
sing en blijdschap. Eindelijk zijn zij te
Emrnaüs — maar willen niet gaarne zulk
gezelschap missen; «de dag is gedaald —
waarom zou hij dien nacht verder gaan?
— hij moest bij hen blijven». Het avond-
maal is spoedig geree<i; maar wat doet
de vreemdeling, iu plaats van als een gast,
te wachten tot hij bediend wordt? Stel u
hunne stille verwondering voor, wanneer
hij de plichten van den gastheer vervuU.
— «Wie kan het zijn?» — Daarna het
«nemeji des broods», het « zegenen », het
«bleken O, het «geven aan hen» — Hij
moet het zijn! Hij is het! {zie Aant. 2)
— maar, eensklaps, is niemand daar, de
plaats ledig, het brood ongebruikt, Hij is
weg! Welk een vuur brandt er nu iu hun
hart! Niet alleen zijn zij overtuigd, dat hun
.Meester de Messias was, en toch zal zege-
pralen — maar zij weten nu, dat zij met
hunne eigen oogen Hem gezien hebben,
opgestaan uit de dooden.
3. Brandend van verlangen. Verlangen
waarnaar? Om het aan de anderen le
vertellen. Zij kunnen geen oogenblik wach-