Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
378
LXXIX. — DE MORGEN VAN DEN DERDEN DAG. 378
opgestaan is en het graf heeft verlaten,
toen de steen reeds was weggewenteld.
Het kan zijn, dat Hij vóór dien tijd is uit-
gegaan. De steen kon geen hinderpaal zijn
voor Zijn verrezen lichaam; en de engelen
werden, zoo het schijnt, niet gezonden
om Hem te verlossen, maar om de ge-
beurtenis aan Zijne volgelingen mede te
deelen, en voor hen den weg tot het graf
te openen, door de wacht te verschrikken
en den steen weg te wentelen.
4. In Matth., vs. 5 — « Vreest gijlieden
niet» — moet op «gijlieden » de nadruk
gelegd worden; en daar het niet blijkt,
dat de soldaten reeds genoeg moed hadden
verzameld om weg te gaan, schijnt dit
nadrukkelijke «gijlteden» een tegenstel-
ling aan te duiden tusschen de vrouwen
en hen: a Gijlieden, Zijne vrienden, hebt
geene reden tot vrees».
Uit Mark., vs. 4 schijnt afgeleid te moe-
ten worden, dat zij, door den grooten
omvang van den steen, op een afstand
konden zien, dat deze wpggewenteld was.
Zij zagen toen de engelen nog niet, die
volgens Markus, Lukas en .lohannes (en
Mattheus spreekt dit niet tegen) slechts
binnen het graf verschenen.
Er is geene tegenstrijdigheid tusschen
Matth. VS. 8 en Mark. vs. 8. Het laatste
vers beteekent, dat zij op weg naar de
discipelen tot niemand iets zeiden.
5. De leugen, die «Jen soldaten door de
priesters in den mond wordt gelegd, is
een treffend voorbeeld van de ongerijmd-
heid, waartoe schaaintelooze boosheid kan
leiden. Ten Iste ; Hoe ongelooflijk, datde
vreesachtige discipelen zouden trachten
door te diingen tot een graf, dat zoo goed
verzekerd was! Ten Hoe ongeloof-
lijk, dat het hun zou gelukken, al beproef-
den zij het ook! Ten 3^®: hoe onwaar-
schijnlijk, dat een der soldaten geslapen
zou hebben! Ten Hoe veel onwaar-
schijnlijker, dat dit met allen het geval
zou geweest zijn! Ten Hoe kwam
het dan, dat zelfs toen geen hunner ge-
wekt werd door het bewegen van den
zwaren steen? En ten 6de; Indien dit niet
was gebeurd, hoe wisten zij dan wie het
gedaan hadden? Ten Indien de Apos
telen deae ongelooflijke daad verrichtten,
waarom werden zij dan niet vervolgd?
6 De vraag is wel eens gesteld, wat
Johannes «geloofde», toen hij de linnen
doeken, enz. zag. Geloofde hij, dat Christus
was opgestaan? Of zag hij alleen de waar-
heid in van Maria's woorden omtrent het
ledige graf? Het eerste is in vele opzich-
ten de meest waarschijnlijke opvatting.
Het volgende vers maakt eenvoudig de
opmerking, dat hij niet geloofde, in weer-
wil van de Schrift, totdat hij zag.
7. Jezus' woorden tot Maria Magdalena:
« Raak Mij niet aan », enz. zijn op ver-
schillende wijzen uitgelegd geworden. Het
kan niet zijn, dat zij Hem niet mocht
aanraken, alleen omdat Hij Zelf veranderd
was, want Hij liet aan de andere vrouwen
toe Hem aan te raken (Matth., vs. 9) en
noodigde ile Apostelen (Luk., vs. 39) en
Thomas (Joh., vs. 27) daartoe uit. Waar-
schijnlijk zag Hij, dat Maria Magdalena
aan Hem dacht, niet als aan den ver-
heerlijkten Heiland, die hulde en aanbid-
ding moest ontvangen, maar als aan den
Meester van vroegere dagen, die wegge-
gaan was, zooals Hij gezegd had, maar nu
weder tot hen terug was gekomen. Daarom
zeide Hij: «Raak Mij niet aan, behandel
Mij niet als een aardsch vriend; Ik beu
nog niet tot u teruggekomen: Ik ben nog
niet werkelijk tot Mijn Vader gegaan,
zooals Ik gezegd heb». Misschien ligt hier
nog verder in besloten, dat, wanneer Hij
terugkomt, wanneer Zijne geloovigen Hem
gelijk zijn in het leven na de opstanding^
wanneer zij voor eeuwig bij den Heer zijn,
er dan weder eene vernieuwing van dien
vertrouwelijken omgang zal wezen, welken
Hij met Zijne discipelen op aarde had.
Sommigen verklaren het gezegde aldus:
« Raak Mij niet aan met uwe lichamelijke
handen, maar wanneer Ik opgevaren ben
tot Mijn Vader, dan zult pij Mij op geeste-
lijke wijze door het geloof aanraken».