Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXIX. — DE MORGEN VAN DEN DERDEN DAG.
377
lijk nog op weg waren naar de huizen,
die zij zochten.
Indien wij alleen het verhaal van Mat-
theus hadden, zouden wij er aeker uit
afleiden, dat Maria Magdalena den Heer
ontmoette gelijk met de andere vrouwen;
en sommigen hebben gemeend, dat Johan-
nes' verhaal van Jezus' verschijning aan
haar slechts eenigszins gewijzigd weer-
geeft de ontmoeting, die Matlheus ver-
meldt. Maar dit is zeer onwaarschijnlijk,
en wij moeten het verhaal van Johannes
aannemen als eene verbetering, niet van
Mattheus zelf, maar van den verkeerden
indruk, dien wij van Mattheus' geschie-
denis, welke ons slechts eenige gedeelten
vermeldt, ontvangen. Luk. XXIV: 10 kan
zeer goed eene algemeene vermelding zijn,
en behoeft in het geheel niet aan te
duiden, dat de vrouwen, die daar te zamen
genoemd worden, den Apostelen op ééne
plaats en tegelijkertijd de tijding over-
brachten. Aan den anderen kant sluit het
verhaal van Johannes de mogelijkheid niet
uit, dat Maria U-d^óalen^ aanvankelijk bi^
de anderen was; eerder het tegendeel want
zij zegt: « Wij weten niet, waar zij Hem
gelegd hebben ».
Het verschil tusschen hetgeen Lukas
vermeldt, dat de engelen gezegd hebben,
en hetgeen Mattheus en .Markus opgeven,
heeft sommigen doen veronderstellen, dat
er van twee vei*schillende verschijnin-
gen gesproken wordt; en dit ^an ook wel
het geval geweest zijn, ofschoon het waar-
schijnlijker is, dat de vrouwen allen te
zamen waren — behalve Maria Magdalena,
wier ontmoeting met de engelen, welke
alleen door Johannes verhaald wordt,
klaarblijkelijk geheel afzonderlijk staat.
Het verschil in aantal der engelen kan
geen wezenlijk bezwaar opleveren, wanneer
wij in aanmerking nemen, dat wij niets
weten van de voorwaarden en omstandig-
heden, waaronder engelen zictitbaar of
onzichtbaar zijn voor verschillende perso-
nen. Het is duidelijk, dat Petrus en Johan-
nes hen in het geheel niet zagen. Som-
migen denken, dat het af hing van de gees-
telijke fijngevoeligheid van ieder persoon
in het bijzonder; maar dit verklaart toch
niet, waarom zij door de soldaten gezien
werden.
2. Het is duidelijk, dat het lichaam van
onzen Heer, ofschoon het in wezen het-
zelfde bleef na Zijne opstanding, toch zeer
veranderd was in zijne betrekking tot
stoffelijke zaken. Al Ziine verschijningen
waren geheimzinnig. Hij u verschijnt»,
vertoont Zich, «wordt gezien», «staat in
het midden», « verdwijnt», maar wij lezen
niet van zijn «komen», behalve toen Hij
eensklaps in de kamer «kwam», waar
Zijne discipelen vergaderd waren, in weer-
wil van deuren en grendelen; of van Zijn
«gaan», behalve toen Hij met de twee
discipelen naar Emmaüs «ging». Alford
zegt: «Het schijnt de natuurlijke toestand
van Zijn vleeschelijk lichaam geweest te
zijn om voor sterflijke oogen zichtbaar te
wezen: van Zijn verrezen lichaam, om dit
niet te zijn; maar in beide toestanden kon
Hij verandering brengen, wanneer Hem
dit behaagde, zonder dat de aard of het
wezen van een van de twee gewijzigd
wenl». Wat aangaat het voedsel, merkt
Auguslinus op, dat Hij de macht, maar
niet de behoefte had om te eten. Zijn
uiterlijk voorkomen schijnt ook veranderd
te zijn, zie Luk. XXIV : 16, 37; Joh.
XXI : 14; en zelfs niet altij.l hetzelfde
geweest te zijn, zie Mark. XVI : 12. Elli-
cott meent, dat de verheerlijking, welke
met de Hemelvaart voltooid zou worden,
reeds begonnen was. Deze omstandigheden,
gevoegd bij de zeldzaamheid Zijner bezoe-
ken, moeten er zeer toe hebben bijge-
dragen om den indruk Zijner verschij-
ningen op het gemoed der discipelen te
verhoogen. Zij moeten gevoeld hebben,
dat Hij niet langer hun metgezel was iu
het dagelijksch leven, maar Iemand, die
oneindig boven hen was verheven; en dit
zoude hen voorbereiden voor de verborgen
openbaringen van den Geest betreffende
Zijne ware Godheid.
3. De bekende voorstellingen op platen,
van Christus' opUanding, geven een zeer
verkeerd denkbeeld van hetgeen werkelijk
plaats gehad moet hebben. Het graf was
niet loodrecht naar beneden in de aarde
uitgegraven, maar horizontaal uit den eenen
kant van een rots gehouwen; zie Les LXIX,
Aant. 6, en vorige Les, Aant. 4 Niet de
, opstanding van Jezus uit het graf, maar
! de verschijning van den engel verschrikte
I de soldaten. De eigenlijke opstanding wordt
; in het geheel niet vermeld, zij wordt door
j de engelen als een feit vastgesteld, door
het ledige graf bevestigd, en door Zijne
verschijningen bewezen. Er is geen be-
paalde reden om te gelooven, dat Hij