Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
376
LXXIX. — DE MORGEN VAN DEN DERDEN DAG. 376
(4) Dit is Jezus' eerste verschijning.
Zie nu de tweede, Matth., vs. 9,10 —aan
die andere vrouwen. «Groote blijdschap»
hadden zij reeds, maar wat moeten zij
niet gevoeld hebben, toen zij Zijn gelaat
zagen, Zijne stem hoorden. Zijne voeten
omhelsden! Eerst hadden zij ook vrees
gehad; maar nu zegt Hij: « Vreest niet».
(5) Nog eene verschijning, de derde.
Aan wien denkt gij? Welke apostel ver-
diende het minst Hem te zien? Juist aan
dezen lafhartigen discipel, die Hem onder
eede verloochend had, zendt Hij eene bij«
zondere boodschap (Mark., vs. 7); voor dezen
eene bijzondere verschijning (Luk.,vs. 34;
1 Cor. XV : 5). W^at zal Petrus gevoeld
hebben, vreeze of blijdschap? Zeker eerst
vreeze, en ook schaamte — hoe kon hij
zijn Meester onder de oogen komen? Wij
weten niet wat er bij die ontmoeting ge-
sproken werd, maar zal Matth IX : 2
ons hier geen denkbeeld van geven? en
daarna, welke «groote blijdschap!» —
de blijdschap, om welke David bad na
zijne zonde en zijn berouw (Ps. LI : 14)
en welke hem geschonken werd (Ps.
XXXII : 5, 1, 11).
Indien gij den Heer Jezus ontmoettet,
zou het dan met vreeze of met groote
blijdschap zijn? Eens zult gij Hem ont-
moeten: zult gij dan gevoelen wat in
Openb. VI : 16, 17 staat, of in Jes. XXV:
9? Bereid u, o mijne ziel, om Hem te
ontmoeten!
Indien gij vreugde wilt gevoelen, wan-
neer Hij uit den Hemel nederdaalt, dan
moet gij op hen gelijken, die zich konden
verheugen, toen Hij uit het graf kwam.
Hoe kunnen wij dit?
(a) Wij moeten berouw hebben van
onze zonden, als Petrus (Matth. XXVI: 75).
(6) In Christus gelooven, als Johannes
(Joh., vs. 8). (c) Hem liefhebben als Maria
Magdalena (Joh., vs. 13,16). (d) Hem aan-
bidden, als de andere vrouwen (Matth., vs. 9).
(e) Hem verkondigen, als de engelen (Matth.,
VS. 5—7; Mark., vs. 6, 7; Luk., vs. 5—7).
Aanteekeningen.
1. Het is zeer moeilijk de overeenstem-
ming te vinden tusschen de vier verhalen
van de gebeurtenissen op dien gedenk-
waardigen « morgen van den derden dag ».
Wij behoeven er niet aan te twijfelen, dat
dit gemakkelijk te doen zou zijn, indien
wij al de bijzonderheden hadden, maar
de evangeliën geven ons slechts korte
brokstukken. Mattheus en Markus vermel-
den het bezoek aan het graf van Maria
Magdalena en Maria, de moeder van Jako-
bus en Joses (verg. de vorige Les, Aant.
5); en Markus voegt er bij, dat Salome
met haar was. Lukas noemt de twee
Maria's en Johanna, en « de anderen met
haar ». Johannes is de eenige, die de ont-
moeting van Maria Magdalena verhaalt.
Het zou onmogelijk zijn, hier de ver-
schillende talrijke pogingen na te gaan,
welke gedaan zijn om de voorvallen naar
volgorde te schikken, maar de natuurlijkste
wijze schijnt wel de volgende te zijn:
Het is waarschijnlijk, dat al deze vrou-
wen te gelijk in het gezicht van het graf
kwamen, hetzij zij gezamenlijk waren ge-
gaan of eene vaste afspraak hadden ge-
maakt; dat, toen zij op eenigen afstand
den steen weggewenteld zagen, Maria Mag-
dalena de anderen verliet en met haast
naar de stad ging, om Johannes en Petrus
te vertellen, dat de anderen naar het graf
gingen, de engelen zagen en terugkeerden
om het nog aan eenige andere Apostelen
mede te deelen (Salome misschien aan hare
zonen Jakobus en Johannes; Maria, de
moeder van Jakobus den Jongere, aan fiaar
zoon) — die in een ander gedeelte van de
stad kunnen gewoond hebben; dat, kort na
haar weggaan van het graf, Petrus en Johan-
nes er heenliepen, gevolgd door Maria Mag-
dalena, die, daar zij achterbleef toen de
twee Apostelen reeds weg waren gegaan,
het voorrecht genoot om Jezus het eerst
(zie Mark. XVI : 9) te zien; en dat Jezus
.-spoedig hierna aan de andere vrouwen
verscheen, die, indien zij (hetgeen zeer
mogelijk is) een längeren afstand moesten
afleggen dan Maria Magdalena, waarschijn-