Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXIX. — DE MORGEN VAN DEN DERDEN DAG.
375
II.
(1) Vroeg in den morgen, vóór zon.s-
opgang, komt een gezelschap vrouwen uit
de stad. Wie? Wat dragen zij? Het is een
treurige tocht — zij gaan het Gelaat, dat
zij liefhebben, voor de laatste maal aan-
schouwen — dan zullen zij terugkeeren om
te weenen. Eensklaps houden zij stil —
zij hebben iets vergeten — het baat niet
of zij al heengaan — waarom niet? Mark.,
vs. 3. Maar zie — het graf is niet veraf
— zelfs in het donker kunnen zij zien,
dat de groote steen niet op zijne plaats is
(zie Aant. 4) — o! de priesters zullen
Hem genomen hebben! Eene van haar
(Joh., vs. 2) kan niet wachten — zij gaat
terug om het Petrus en Johannes te ver-
tellen; de anderen gaan door — ja, en
zij gaan er in (hoe moedig van haar! — de
priesters, die zij van den roof beschuldigd
hadden, konden daar immers nog zijn —
in alle geval in het donker in een open
graf te gaan 1). Het is ledig! er waren geene
lijken in, toen Jezus er gelegd werd; nu
ook niet.
Nog een ander gezicht, dat haar doet
ontstellen — twee witte gedaanten vlak bij
haar. Zij vallen van vrees ter aarde (Luk.)
— maar eene zachte stem spreekt tot haar '
— «Vreest gijlieden niet (Matth.) — Zijne j
vijanden mogen verschrikken, maar gij- ,
lieden. Zijne vrienden, niet (Zie Aant.^).
Maar waarom (Luk.) zoekt gijHem^ier?
Het is nu de derde dag — hebt gij ver- |
geten hetgeen Hij gezegd heeft?» Nog |
eene reden van blijdschap voor de engelen, .
dat zij zulk eene tijding aan het volk van j
Christus mogen brengen; verg. Hebr. I: i4. i
Met haast naar de stad terug. Is er nu
vreeze of blijdschap? Beide (Matth.) —
vervuld met blijdschap, en toch met beving
en ontzetting (Mark.) — en daarenboven,
is het niet al te heerlijk om waar te
zijn?
(2) Nauwelijks zijn zij henen, of twee
mannen spoeden zich naar het graf (Joh,
XX); zij hebben van Maria gehoord, dat
de steen afgewenteld is — komen nu zien
wat er is gebeurd. Voor hen zijn de enge-
len onzichtbaar, maar toch merken zij
I iets vreemds op (vers 7) —zouden dieven
de grafdoeken met zooveel zorg hebben
weggelegd ? Er zijn geen dieven geweest —
j Hij moet opgestaan zijn! (Zie Aant. 6).
i (3) Maria is met hen naar het graf
teruggegaan, maar zij kan het niet weder
verlaten. Zie hoe zij daar alleen staat,
weenende. Eensklaps ziet ook zij de engelen
i —maar is zij bevreesd? Joh.,vs. 13 — zij
; is zoo bedroefd, zij kan aan niets anders
denken dan aan het groote verlies. Daarna
staat Iemand anders bij haar; hare oogen
zijn zoo vol tranen, dat zij Hem niet her-
kent; maar hare ooren — ja, hei is Zijne
\ stem, die haar naam uitspreekt — zij is
de eerste, die den opgestanen Heiland
ontmoet. Is dit geene droefheid, die in
blijdschap wordt veranderd? Welk een
I verschil tusschen het treurige «Heer» en
het blijde «Rabbouni» (lieve Meester)!
Maar is Hij teruggekomen, om evenals
vroeger met hen te zijn? Neen, zij moet
' Hem nu niet als een dierbaren vriend be-
I handelen, Joh. XX : 17 — Hij blijft niet
op aarde — zij moeten niet denken, dat
Zijn « heengaan tot den Vader d (Joh. XIV :
12, 28, XVI : 5, 10, 15, 28) plaats heeft
gehad, terwijl Zijne ziel en Zijn lichaam
gescheiden waren — dat Hij henen is ge-
gaan en weder teruggekomen — neen,
«nog niet opgevaren» — Zijn lichaam
zou ook naar den Hemel gaan, verheerlijkt,
maar toch hetzelfde — «Ik vaar op»
{Zie Aant. 7). Hoe liefderijk is echter de
boodschap aan de discipelen! —niettegen-
staande al hunne lafhartigheid en klein-
geloovigheid «schaamt Hij zich niet hen
broeders te noemen» (Hebr. II : 11).