Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
374
LXXIX. — DE MORGEN VAN DEN DERDEN DAG. 374
Schets van de Les.
Verleden Zondag zagen wij hoe waar
het eerste gedeelte van Joh. XVI : 20
bleek te zijn. Heden zullen wij ook het
tweede gedeelte bewaarheid zien — « droef-
heid tot blijdschap geworden», t Gekrui-
sigd, gestorven en begraven» — dat
veroorzaakte de droefheid, «ten derden
dage weder opgestaan van de dooden » —
dat veroorzaakte de blijdschap. Maar niet
alleen blijdschap — wij zullen heden nog
een ander gevoel waarnemen — ziel sten
tekst om te leeren: «vreeze en groote
blijdschap ».
Laat ons gaan staan bij het graf van
Jozef aan den morgen van dien «derden
dag», en zien wat er gebeurde.
t
1.
(1) Den geheelen nacht door loopen de
soldaten op en neer — zij zijn waakzaam
(een Romeinsch soldaat, die op zijn post
geslapen had, werd met den dood gestraft)
— en goed gewapend. Daarenboven staat
de groote steen nog op zyn plaats en het
zegel is niet aangeraakt. Het graf was «ver-
zekerd » (Matth. XXVH : 66) — alles is
veilig — de overpriesters kunnen rustig
slapen — het is onmogelijk, dat die «ver-
leider» hen nog eens lastig zal vallen.
Niet mogelijk? — iets anders is «niet
mogelijk« (Hand. 11:24) — om Jezus in
het graf te houden. Zoudt gij de zon
kunnen verhinderen op te gaan? Of eb
en vloed doen ophouden? {Voorbeeld, —
Kanut).
De dageraad is nu aangebroken — de
eerste lichtstrepen worden boven den Olijf-
berg zichtbaar — onder de boomen van
« Jozefs hof» is het echter nog donker.
Plotseling beweegt de grond, de rotsen
beven, eene glinsterende gestalte wentelt
den grooten steen weg. De Romeinsche
soldaten, zoo sterk en moedig, wat doen
zij nu? Matth., vers 4 {Zie Aant. 3).
Hier zien wij « vreeze en groote blijd-
schap». Waar is de blijdschap? Engelen
ziju nedergedaald om vele blijde boodschap-
pen te brengen, maar welke zending was
zoo heuglijk als deze? Zij hadden hunnen
' Heer gadegeslagen in de kribbe, zij had-
I den Hem gevoed in de woestijn. Hem ge-
i sterkt in Zijn zielestrijd — nu is Zijne
I laatste vernedering voorbij — nu volgt er
eer en heerlijkheid.
(2) Zie nu een ander beeld van «vreeze
en blijdschap» — maar in dit geval komt
de blijdschap eerst. Wij hebben de blijd-
schap der priesters gezien — stel u nu
htmne vreeze voor — waarom? zie Matth.,
VS. 11—15. Wat zouden wij van hen ver-
wachten? Zullen zij hunne zware zonde
inzien, zich tot God keeren en Zijn Zoon
aannemen? Nu is er geen reden voor
twijfeling meer — Hij heeft gezegd, dat
Hij op zou staan, en Hij is opgestaan —
zijn ook de aardbeving en de engel geen
«teekenen uit den hemel», waarnaar zij
gevraagd hadden? Ach, zij hadden blijd-
schap, omdat zij Hem haatten, en nu
haten zij Hem nog meer in hunne vrees
— zij willen niet overtuigd worden, « al is
het, dat er iemand uit de dooden is opge-
staan» (Luk. XVI:31). Wien vreezen zij?
Niet God, maar de menschen — «indien
het volk dit hoort, wat zullen wij dan
doen?» Zie, hoe zij de krijgsknechten om-
koopen om te liegen {zie Aant. 5), en de
krijgsknechten zijn ook slechte menschen,
gereed om dingen te zeggen, die niet waar
zijn (en zelfs onteerend voor hen), indien
zij er slechts geld door verkrijgen.
Eindelijk hebben wij afgedaan met de
vijanden van Christus — wij zullen hen
niet meer in deze Lessen zien.
Zie nu hoe droefheid en vrees in blijd-
schap overgaan.