Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
371 LXXVIII. DE AVOND VOOR DEN SABBAT.

laten — zij bleven wachten op hetgeen
zou gebeuren — zij zagen de soldaten
terugkomen — waarvoor? (Joh., vs. 31, 34)
— de twee verminkte lichamen worden
weggenomen — maar het Zyne gelaten —
doorstoken en door de nagelen verscheurd,
maar geen been gebroken (waarom niet?) —
daarna komen twee vreemde mannen het
wegnemen — zij begraven het in dat
fraaie graf — de groote steen is er voor.
Het wordt nu donker, alles wordt stil.
Wat doen de vrouwen? Luk. vs. 55, 56.
Wat blijkt uit dit bereiden van specerijen?
Dat zij meenden, dat Jezus voorgoed was
gestorven — alles nu voorbij was — Hij
was een goed mensch geweest, en God
had Hem groote macht gegeven — maar
dat was alles. Welk eene teleurstelling!
Al hunne verwachtingen van den Messias
waren vernietigd; zie Luk., XXIV : 17—21.
Zeer waarschijnlijk zouden wij de meeste
discipelen den volgenden dag te midden
van de scharen in den Tempel hebben
kunnen zien — uit gewoonte gingen zij
er heen — maar met welk een bezwaard
hart! Met welk eene verwoeste hoop!
Welke diepe verslagenheid I Welke bittere
tranen! (Zie Mark. XVI : lOV Komt er
ééne gedachte bij hen op om het lichaam
huns Meesters te stelen? Ach, zij hebben
Zijne eigen duidelijke voorspellingen geheel
vergeten. Hoe waar is het eerste gedeelte
van het motto dezer Les:
« Gij zult schreien en klagelijk weenen,
maar de wereld zal zich verblijden ». Aan-
staanden Zondag zullen wij zien hoe waar
ook het tweede gedeelte is.
II. Denken wij aan Jezus in
het graf
Hoe verbaasd zullen de engelen geweest
zijn! Zij hadden zich verwonderd, toen de
Zoon van God op aarde was gekomen en
een menschelijk lichaam en eene mensche-
lijke ziel aannam — zij hadden zich ver-
wonderd, toen zij zagen, dat Zijn lichaam
zwak en vermoeid kon zijn, en die ziel
droevig en ter neer geslagen, evenals bij
andere menschen — maar nu zien zij dat
lichaam en die ziel door den dood ge-
scheiden, hoe wonderbaarlijk is dit voor
hen! Zijne ziel — waar is zij? In eene
plaats, waar de zielen gaan, die het lichaam
hebben verlaten, het «Paradijs» (Luk.
XXIH: 43) genoemd. Zijn lichaam — waar
is dat? Het ligt alleen in het koude, don-
kere graf. Welk eene vernedering —
«Gekruisigd, gestorven, begraven; neder-
gedaald in het rijk der dooden» (Leg
uit; zie Voorrede).
1. Onze lichamen zullen ook eenmaal
begraven worden. Blauwe oogen, ronde
wangen, glanzig haar, alles moet eens
vergaan —• niets dan dorre beenderen
blijven er over! Wanneer? Dit weten wij
juist niet. (Voorbeeld. — Een jongen, die
er over nadacht of hij ook sterven kon,
ging naar het kerkhof om de grootte
van de graven te meten; hij vond er
vele, die kleiner waren dan hij). Is dit
eene gedachte, die ons met schrik ver-
vult? Bedenk dan, dat Jezus ook in het
graf heeft gelegen. Omdat Hij gestorven
is, kan de dood geen kwaad doen aan
hen, die Hem liefhebben. Hoe komt dit?
Zie 1 Cor. XV : 55-57 — «de prikkel
des doods is de zonde» — Jezus stierf
om de zonde weg te nemen, en ofschoon
nu het lichaam zal vergaan, de ziel zal
leven en gelukzalig zijn, evenals het lichaam
opgewekt zal worden in gelukzaligheid,
zie Phil. m : 21.
2. Onze zielen moeten ook « begraven
worden». Hoe kan dat? De ziel gaat toch
niet in het graf. Maar zie Rom. VI : 4;
Col. II : 12 — «met Hem begraven in
den doop». Wat beteekent dit? Denkeens
na — toen Jezus opstond, had Hij toen
een lichaam, dat nog smart kon lijden.