Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
370
LXXVIII. DE AVOND VOOR DEN SABBAT.
— Hij moet werkelijk geweest zijn, wat
zij Hem uit spot noemden: de Zoon van
God!» (Mark.). Wij weten, dat Hij dit
waarlijk was; en welke overwinningen
behaalde Hij — zelfs aan het kruis —
twee menschen worden dan zelfs van Zijne
grootheid overtuigd — en die twee zijn ;
een kwaaddoeneren een Romeinsch krijgs- ;
knecht! i
I
Op de omstanders. Welke soort men-
sehen zouden eene terechtstelling gaan
bijwonen? Zij, die een gevoelig hart heb-
ben ? Wat hadden deze omstanders gedaan ? ,
(Matth., vs. 39). Toch verstomt nu alle
spot, elke tong wordt sprakeloos — zie
hoe zij langzaam naar de stad terugkeeren —
wat doen zij ? (Luk., vs. 48; verg. XVHI: 13).
Eene vreeselijke gedachte komt in hun
gemoed op — «Wat hebben wij gedaan? »
3. Op de overpriesters. Zijn zij niet tot !
andere gedachten gekomen? Moesten zij, '
de schuldigsten van allen, niet door hun
geweten aangeklaagd worden? Zie waar-
over zij denken (Joh., vs. 31) — zij moeten
zorgen, dat de wet (Deut. XXI : 23) niet
overtreden wordt. Maar welke der tien
groote geboden hebben zij overtreden?
Hieraan denken zij niet. Maar wie wel?
Zie Ps. X. : 14; Jes. 1 : 14. 15. Denk aan
hen den volgenden dag — den Sabbat —
stel u hunne zegepraal voor — eindelijk
van hun vijand verlost! En toch — eene
verontrustende gedachte maakt zich van
hen meester — indien zij niet geheel van
Hem bevrijd waren — Hij had Lazarus
opgewekt, zou Hij misschien Zichzelf
kunnen opwekken? — Zij hebben iets
gehoord van den « derden dag» — en al
deed Hij geen wonder, zouden dan Zijne
volgelingen Zijn lichaam niet kunnen stelen
en dus nog grooter verwarring doen ont-
staan? Ach, hunne misdaad heeft hun
geene rust verschaft (de zonde doet dit
nooit); zij vreezen voor den gestorven
Jezus! Wat doen zij? Matth., vs. 62—66
(Zie Aant. 1, 6).
4. Op Jozef en Nicodemus (Zie Aant. 3).
Toen Elia alles verloren waande, dacht,
dat het geheele volk God verlaten had,
wat zeide God Hem toen? 1 Kon. XIX : 18.
Evenzoo zouden wij kunnen denken, dat
allen tegen Jezus waren, behalve eenige
verschrikte Galileêrs, en zij waren ge-
vlucht. Maar zie Matth., vs, 57—60; Mark.,
VS. 42—46; Luk., vs. 50—53; Joh., vs.
38—42. Wie zijn die twee mannen? Zij
zijn beiden rijk; beiden leden van den
Grooten Raad; maar wat nog meer?
Discipelen? Zij hebben zich nooit bij het
kleine gezelschap gevoegd — waarom ?
Bevreesd (Joh., vs. 38; verg. XH : 42);
zij hadden geen deel aan de veroordeeling
van Jezus, maar zij konden niet openlijk ver-
klaren, dat zij, rijke en geëerde Israëlieten,
in den verachten Nazarener geloofden. Nu
Hij echter als een misdadiger gestorven
is, door het geheele volk met verachting
is verworpen, door Zijn eigen discipelen
verlaten, nu kunnen zij hunne liefde niet
langer verbergen; de stoutmoedige Petrus
heeft Hem voor dienstknechten verloochend;
de vreesachtige Jozef gaat stoutmoedig naar
den stadhouder. De een brengt fijn lijn-
waad, de ander kostbare specerijen —
zie hoe zij het Heilige Lichaam afnemen,
het in lijnwaad wikkelen, naar Jozefs
nieuwe graf brengen, het met spoed en
in stilte daarin neerleggen en den zwaren
steen voor den ingang wentelen (zie Aant.
4) — daarna gaan zij huiswaarts, dank-
baar, dat zij iets hebben kunnen doen
voor Hem, dien zij in het geheim lief-
hadden 1
5. Op de discipelen. Zij zijn allen ver-
strooid — er is niemand behalve Johannes
(34) en de trouwe Galileesche vrouwen
{Zie Aant. 5). Zelfs toen allen weg waren
gegaan, konden zij het kruis niet ver-