Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXVIII. DE AVOND VOOIt DEN SABBAT.
369
Les LXXVIII. — De avond voor den Sabbat.
nGij zult schreien en klagelijk weenen, maar de wereld zal zich verblijden)).
Te lezen - Luk. XXIII : 47-56; (verg. Matth. XXVII: 54-66; Mark. XV:39—47;
Joh. XIX : 31—42).
Te leeren — Rom. VI : 4; 1 Petr. II : 24. (Gez. 126 : 1 ; Gez. 46 : 61).
Voor den Onderwijzer.
Deze Les biedt eene gelegenheid, om eene zinsnede in de Geloofsartikelen
te verklaren, welke dikwijls verkeerd wordt verstaan, nl. «nedergedaald ter
helle». Het woord «hel» is daar ongelukkig gekozen, wijl het Grieksche
woord (ü Hades D is, en niet de laatste woonplaats der veroordeelden, maar
de plaats of den toestand van de zielen der afgestorvenen beteekent — het
«Paradijs» van het Nieuwe Testament is dat gedeelte, waar de gelukzaligen
hun verblijf hebben. Zie Les LIII. Aant. 3 (e). De Geloofsartikelen stellen
alleen vast, dat, gelijk het menschelijk lichaam van onzen Heer «begraven»
werd evenals andere lichamen, zoo ook Zijne menschelijke ziel, evenals
andere zielen, tot de rust der zalige dooden inging, In Zijne menschelijke
natuur kwam Hij niet tot de rechterhand Gods vóór Zijne Hemelvaart (zie
Joh. XX : 17).
Deze Les is vooral belangrijk, omdat zij zulk eene goede inleiding voor de
volgende is. De geschiedenis van de Opstanding en de leeringen, welke wij
er door ontvangen, zullen den meesten indruk maken op het gemoed van hen,
die zich verdiept hebben in de omstandigheden en de beteekenis der Begrafenis.
De gedachte, welke aan het einde der Schets wordt aangegeven — de waar-
heid, die ons geleerd wordt in de woorden «met Hem begraven in den
doopiö — is echter op zichzelve reeds van het grootste belang.
Schets van de Les.
Nogmaals moeten wij teruggaan naar
Golgotha — met onze gedachten stilstaan
bij hetgeen op dien treurigen avond van
den Goeden Vrijdag geschiedde.
I. Zie de uitwerking van den
dood van Jezus.
1. Op den Romeinschen hoofdman.
Hij is bij vele kruisigingen tegenwoordig
geweest, heeft de martelingen der slacht-
offers gezien, hunne kreten (dikwijls zoo
morrend en godslasterlijk) gehoord, gade-
geslagen hoe de kracht en de stem hun
begaven, terwijl zij langzaam wegkwijnden.
Maar nooit iets, dat hierop geleek! Wat
heeft hem hier zoo verwonderd? Een man
wordt hem overgeleverd om in plaats van
Barabbas gekruisigd te worden — welk
een diepgezonken boosdoener moet hij zijn!
Evenwel geen ongeduldig woord, geen
smartkreet (welke woorden dan?) — zacht-
moedig en geduldig gedurende die vreese-
lijke uren — dan die verschrikkelijke
duisternis — dan die aardbeving — en,
wat het verwonderlijkst van alles is, het
slachtoffer heeft nog genoeg kracht om,
op het oogenblik des doods, dien luiden
kreet te uiten (Zie vorige Les, Aant. 6).
Zelfs de ruwe soldaat is ontsteld (Matth.)
— (f Wat kan dat alles beteekenen ? Zeker
hebben wij een onschuldige gedood (Lukas)
24