Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXVII. DE KRUISIGING.
II.
367
bloed van Jezus. Jezus een volmaakt
Mensch — ja, en ook God — dus was Hij
geschikt om eene eeuwige offerande voor
de zonden te zijn. Zie Joh. I : 29; Hebr.
IX : 13, 14, 26, 28, X : 4, 11. Dit is de
reden, waarom de Zoon van God gestor-
ven is.
ni. Wat beteekende dat ge-
scheurde voorhangsel?
Eiken dag kwamen er menschen om in
de voorhoven des Tempels te aanbidden;
priesters deden dienst in de «heilige
plaats», maar dat voorhangsel was altijd
vóór hen, scheidde hen af van het « Heilige
der Heiligen» — verder mocht niemand
gaan, behalve de hoogepriester eenmaal
'sjaars (Hebr. IX : 3-8). Waarom was
dat voorhangsel daar? Als een teeken, dat
de menschen niet in Gods nabijheid moch-
ten komen. Waarom niet? Zie nogmaals
Jes. LIX : 2. Maar indien zij van de zonde
verlost zijn, dan staat de weg voor hen
open — allen mogen tot hun Vader terug-
komen. Hoe kan men van de zonde ver-
lost worden? Door Jezus' dood; dus om
op datzelfde oogenblik te toonen, dat de
weg openstond, scheurde God het voor-
hangsel Zie Joh. XIV : 6; Ef. 11:13,18;
Hebr. X : 19—22; 1 Petr. UI : 18. Wij
kunnen tot Hem in den Hemel gaan —
en alles «door Jezus Christus onzen Üeera.
Dat lijden, die dood, die verzoening is
voor ons allen, 1 Joh. H : 2. Kunt gij u
voorstellen, dat hierna nog iemand niet
zalig wordt I En toch, hoe velen hebben
nogmaals en nogmaals de boodschap des
heils gehoord, en blijven onverschillig —
keeren zich af — zien den weg open en
God met uitgebreide armen om hen te
ontvangen, en willen toch niet komen I
Het i-j «eene groote zaligheid» (Hebr. II:
3): — maar hoe zullen wij ontkomen, indien
wij die versmaden?
Aanteekeningen.
1. De duisternis bij de kruisiging werd
niet veroorzaakt door eene zonsverduiste-
ring, daar zij met volle maan (Paaschtijd)
plaats had, en dan is eene verduistering
onmogelijk. De langste natuurlijke zons-
verduistering duurt ook slechts eenige
minuten, terwijl deze duisternis drie uur
lang heerschte. Het is onmogelijk te zeggen
of de duisternis volkomen, als in den nacht,
of slechts een dikke nevel was.
2. De tijd der uitwendige duisternis
kwam zonder twijfel overeen met dien van
Christus' zielsangst en gevoel van verlaten-
heid. Het lijden van Gethsémané kwam
met grootere kracht tot Hem terug, en
bleef dien geheelen lijd voortduren, totdat
het zijn toppunt bereikte in dien kreet,
vol geheimzinnige diepte, waarin, den
eenigen keer, die vermeld is, Jezus tot den
Vader spreekt als «Mijn God» en niet als
«Vader». Dat deze kreet Hem tnet ont-
perst werd door lichamelijke uitputting,
blijkt duidelijk uit het woord, dat gebruikt
wordt: «riep met eene groote stem »(het-
zelfde woord wordt gebezigd van de schare,
die voor Pilatus c riep »). Zelfs de ontzet-
tende marteling aan het kruis was niets,
vergeleken bij het zielelij<Jen van Christus,
van Hem, die de zonde der geheele mensch-
heid droeg.
«Eli» is de Chaldeeuwsche vorm van
den Hebreeuwschen naam van God; « Eloi »
de Syro-Chaldeeuwsche. De Joden konden
onmogelijk de woorden van den Heer ver-
keerd begrijpen; het zeggen, dat Hij «Elias
riep», was dus eene opzettelijke verdraaiing
van Zijn uitroep. Het is moeilijk te ver-
onderstellen, dat deze lasterlijke spot ge-
durende die uren van plechtige duisternis
gedreven werd. Waarschijnlijk werd de
duisternis dadelijk na den kreet van den
Heiland opgeheven.
3. De 22ste Psalm kan als een van God
ingegeven profetisch beeld van het lijden
onzes Heeren aan het kruis beschouwd
worden, en (van vers 23 tot het einde),
van de zegepraal en de heerlijkheid, die
Hij verwachtte Stier zegt terecht: «Deze
psalm worde gelezen, in zijn geheel gele-
zen, maar ïnet eenvoud, als door een
Christen, die, onder den invloed van het-
geen op Golgotha geschied is, in de ziel