Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXYI. DE KRUIFilGlNG. — I.
363
Leeraar en IJeelmeester kenden. Christus '
spreekt bhjkbaar tot haar, als vertegen- j
woordigslers van Jeruzalem. Het gezegde
omtrent het aanroepen van de hergen en
de heuvelen (verg. Je«. II : 19: Hos. X :
Openb. VI : 16) is beeldspraak; toch
kan het op trelTende wijze tot vervulling '
zijn gekomen voor sommigen van diezelfde
vrouwen en hare kinderen, toen de Joden
letterlijk eene schuilplaats zochten in de
onderaardsche gangen onder de stad. Het
»groene hout » is Christus Zelf, het «dorre
hout» is het Joodsche volk: «Indien een
vruchtbare boom, zooals Ik ben, aldus aan
verwoesting wordt overgegeven, wat zal
dnn het lot wezen van hen. die onvrucht-
baar en nutteloos zijn?» Verg. 1 Petr.
IV : -17, 18.
7. Er is veel geschreven over den edik
of wijn, die Jezus werd aangeboden. Na
eene zorgvuldige vergelijking vun de ver-
schillende meeningen, schijnt de natuur-
lijkste uitlegging te zijn, dat er slechts
één drank was, de gewone wijn der sol-
daten iposca genaamd), die zeer licht en
zoo zuur als a^ijn was; een mengsel hier-
van met myrrhe werd als bedwelmende
drank gebruikt en ook (naar de gewoonte)
aan Jezus aangeboden, om Zijne pijn draag-
lijker te maken; daarom wilde Hij niet
drinken; dat o gal » de benaming vias
voor alle soorten van bittere artsenijen,
ook voor myrrhe, en dat Mattheus het
woord gebruikt met betrekking tot de
profetie in Ps. LXIX : 21; en dat, toen
naderhand onvermengde edik aan Christus
gegeven werd. ten gevolge van Zijn kreet
« Mij doTst », Hij dien aannam ter vervulling
der profetie (Zie.Joh. XIX : 28).
8. Het is merkwaardig, dat de over-
priesters, toen zij den Heer beschimpten,
de woorden van Ps. XXI : 9 gebruikten,
en al tns, zon-ler het te weten, mede hielpen
tot het vervullen der profetieën. Hnnr>e
woorden: «Indien Gij ile Zoon Gods zijt »,
enz., zijn de echo van de vleiende woorden,
waarmede de Satan den Heer in de woestijn
wilde verzoeken.
9. ï)»' Heer sprak « zeven woorden » aan
het kruis. De eerste drie hadden betrek-
king op anderen: een gebed voor Zijne
vijanden, eene belofte aan een boetvaar-
digen zondaar, een laatste woord tol twee
menschen, die Hij liefhad. De volgende
twee woorden zijn eene uiting van Zijn
eigen lijden, eerst het zielelijden («Mijn
God», enz.), dan de lichamelijke smart
(oMij dorst»). In de laatste twee besluit
Hij zegepralend Zijne zending, en geeft
Zijn Geest over aan Zijn Vader. Drie er
van zijn alleen door Lukas vermeld, drie
alleen door Johannes. het vierde alleen
door Maltheus en Markus. Rengel maakt de
volgende schoone opmerking: «Er zijn
zeven kruiswoorden bij de vier Evange-
listen, maar geen van hen heeft ze alle
neergeschreven. Vandaar is het duidelijk,
dat deze boeken als hot ware de vier
stemmen zijn, die eene schoone harmonie
samenstellen, wanneer men ze te gelijk,
hoort».
10. Zie over het woord « vrouw ». door
den Heer tot Zijne moeder gesproken,
Les XV, Aant. 3. Het feit, dal zij aan
de zorg van Johannes werd toevertrouwd,
schijnt een kr^ichtiff bewijs te zijn voor
de meening, dnt Jezus' «broeders» niet
hare zonen vNaren.
11. De twee kwaaddoeners behoorden
waarschijnlijk lot de bende, waarvan Bar-
abbas de aanvoerder was (Zie Mark. XV : 7).
Misschien nam Pilatus eene znkere weer-
wra«Tk op de Joden, die hem hadden over-
gehaald om Jezus te veroordeelen, door
met Hem twee volgelingen van den gun-
steling des volks te kruisigen.
Het verschil tusschen Ltikns, die zegt^
dat »een » van de kwaaddoeners Jezus
bespotte, en Matlheus en Markus, die in
het meervoud spreken, wordt op vers« hil-
lende wijze uitgelegd. Sommigen denken»
dnt zij Hem in het begin beiden smaadden,
en dat het daarna den eenen berouwde;
anderen, dat Mattheus en .Mnrkus het
meervoud gebruikten in het nlgemeen
sprekende, en dat slechts een van de
kwaaddoeners Jezns lasterde. Dit laatste
schijnt de natuurlijkste opvatting te zijn.
(i Heden zult gij met Mij zijn». Deze
woorden zijn een duidelijk bewijs (l) voor
het afzonderlijk voortbestaan van den geest,
wanneer het lichaam gestorven is, ^2) dat
de gestorven geloovige dadelijk bij Christus
is, (3) dat er geen plaats van tijdelijk
lijden als het vagevuur is. ook niet voor
zulke menschen, als deze kwaaddoener
moet geweest zijn. «Het Paradijs» was eene
Joodsche uitdrukking, welke, evenals
(f Abraham'sschoot», het gelukkigegedeelte
van den «Hades» beteekende (zie Les LIII,
Aant. 3e). Zij komt in de Schrift alleen
voor in 2 Cor. XH : 4; Openb. H : 7.