Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
361 LXXVI. DE KRUISIGING. — I.

schiedt. Maar al neemt gij dit aan, wan-
neer moet gij u dan bekeeren, om geheel
veilig te zijn? Op uw doodsbed? Wanneer
zal dat zijn?].
3. Tet Zijne moeder en Johannes
VS. 25—27). Eene gave voor elk: voor
Maria, een zoon, die haar beschermen en
verzorgen zal; den geliefden discipel, een
werk, dat hij voor zijn Meester doen kan.
Zoo heelt Jezus in Zijnen doodsstrijd nog
eene gedachte voor allen.
Hebben wij im niet twee zaken gezien? —
1. Op Golgotha zien wij Jezus' diepe
vernedering. Hier is Gods Zoon, die in
heerlijkheid leefde eer de wereld gemaakt
was, die Zelf alle dingen heeft gemaakt
<Joh. l : 1—3), uit Zijne uitverkoren stad
gedreven door Zijne eigen schepselen om
met twee misdadigers ter dood gebracht
te worden, op de smadelijkste wijze, die
er bestond — ontdaan van Zijne kleederen,
aan het kruis genageld, aangestaard, be-
leedigd, enz., enz. (herhaal). Welk eene
ontzaglijke waarheid ligt er in de woorden
van Phil. H : 8 — «Hij heeft Zichzelven
vernederd .... tot den dood, ja den dood
des kruises»!
2. Op Golgotha zien wij Christus^ loare
grootheid. Op drie wijzen: —
(a) Hetgeen Hem werd aangedaan
bewees, dat Hij de beloofde Messias was.
Zie Ps. XXII : — vers 7—9, de beleedi-
gingen; vers 17, de nagelen; vers 19, de
verdeeling der kleederen. Zie Jes. LIH :
— vers 3, de verachting en verwerping;
vers 7, Zijn zachtmoedig stilzwijgen; vers
12, de kwaaddoeners met Hem en Zijne
voorbidding.
(b) Hij onderwierp zich aan alles vrij-
willig, zie 2deii tekst om te leeren; waar-
om? Joh. X : 11, 15. Zij zeiden Hem, dat
Hij af moest komen van het kruis, in-
dien . . . .? Gesteld, dat Hij het gedaan
had, wat ware dan van ons geworden?
Wat verhinderde Hem het te doen? Ef.
III : 19.
(c) Zie de liefde en macht, die Hij zelf
toen ten toon spreidde. (Herhaal: Wij
bad voor Zijne moordenaars — zorgde met
teedere liefde voor Zijne moeder — be-
loofde den armen stervenden kwaaddoener
eene plaats in het Paradijs. Bedenk toch
vooral welk eene groote macht deze ver-
achte zondaar gehad moet hebben, om
dien kwaaddoener op zulk een oogenblik
tot Zich te trekken!
Indien Hij zulk eene grootheid vertoonde
op het kruis, hoe groot zal Hij dan zijn op
Zijn troon! Hij, de levende, liefhebbende,
almachtige Heiland, is nu daar gezeten —
wat kunnen wij nog meer wenschen?
Aanteekeningen.
1. De ligging van Golgotha is zeer on-
zeker. Alles, wat wij weten, is, dat het
buiten de muren was — dit was noodig,
omdat terechtstellingen altijd « buiten de
poort», zie Num. XV : 35; 1 Kon. XXI:
13; Hand vn:58; Hebr. XHI: 12, plaats
hadden. De plaats, welke de overlevering
er voor aanwijst, waarop ook de Kerk van
het Heilige Graf staat, is binnen de tegen-
woordige stad; maar het is twijfelachtig,
waar de vroegere muur gestaan heeft,
zoodat de ligging toch wel juist kan zijn.
Het « Heilige Graf» is in het noordwestelijk
gedeelte van het tegenwoordige Jeruzalem.
Sommigen zijn geneigd om Golgotha aan
de noordoostzijde, vlak boven de vallei
van de Kedron, te plaatsen, anderen meer
naar het zuiden toe, op den «Berg des
Boozen Raads». Het is moeilijk op dat
punt tot eene voldoende beslissing te
komen.
Golgotha is het Hebreeuwsch voor Iloofd-
schödelplaats. De naam had ófbetrekking
op het gebruik van die plek als begraaf-
plaats, óf op den vorm, daar de opper-
vlakte eene kleine ronding, als van een
schedel, had.
2. De kruisstraf werd zulk een schande
en smaad geacht, dat zij nooit op Romein-
sche burgers (ook niet de voorafgaande