Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
360
LXXVI. DE KRUISIGING. — I.
en beleedigen (Matth., vs. 39—43): — «Hier
is de wonderdoener — waarom kan Hij
Zichzelf niet verlossen?» Hij heeft Zich-
zelf Gods Zoon genoemd — de naam boven
Zijn hoofd noemt Hem Koning der Joden —
indien dit waar is, dat Hij dan afkome —
dan! — ? (Zie Aant. 8).
(3) Een derde groep (Joh., vs. 25) —
hoe verschillend! Denk aan hunne smart,
dat Hij, dien zij zoo vurig liefhebben. Zijn
leven aldus moet eindigen — hun afgrijzen
bij Zijne martelingen — nog meer, hun
bittere teleurstelling, al hunne hoop ver-
vlogen! Denk aan Zijne moeder — wat
had de oude Simeon van haar voorspeld ?
Luk. II : 35 — wordt dat nu niet ver-
vuld?
m. Drie woorden van genade
op Golgotha {Zie Aant. 9).
1, Betreffende Zijne moordenaars{h\xV.,
34). Wat hoort men Hem nog uiten, op
het oogenblik zelf der marteling — wan-
neer de nagelen Zijn heilig vleesch ver-
scheuren? Geen kreet van smart, geen
bede om het leven, geen bedreiging van
straf, geen roepen om hulp; zelfs niet een
streng en trotsch «Ik vergeef het u».
Maar wat dan? Evenals tuen Hij zich om-
keerde naar de weenende vrouwen, denkt
Hij niet aan Zijn eigen smart, maar aan
hunne zonde — van wie? — van de sol-
daten? Het is zeker, dat zij «niet wisten
wat zij deden». Hij bidt voor hen — ja,
maar ook voor anderen; voor Pilatus; voor
de Joden — het is waar, zij zondigden uit
vrije beweging, maar wisten meihoezwaar,
zie Hand. 111 : 17, XIH : 27; 1 Cor.H:8
{verg. 1 Tim. I : 13). Ook voor ons —
hoe zoo? — is niet onze zonde voor een
deel de oorzaak van Zijn dood? Op ons
rust dus ook de schuld van Zijne kruisi-
ging! Hoe dikwijls zondigen wij gedachte-
loos — ternauwernood wetende wat wij
doen? Bid God, dat Hij onze zonden,
nalatigheden en onwetendheid vergeve.
2. Tot den boetvaardigen kwaaddoener
(Luk., vs. 39—43) {Zie Aant. 11). Is van
al de beleedigingen, die Jezus aangedaan
werden, die van Zijn lotgenoot in het
lijden niet de onbegrijpelijkste? Geen won-
der, dat de ander hem bestrafte. Maar
bestrafte Christus hem ook niet? Geen
woord komt uit Zijn mond, totdat er eene
nederige, vertrouwende bede tot Hem
wordt gericht; dan, eene wonderbare be-
lofte — «meer dan overvloediglijk boven
al» hetgeen de dief kan «bidden of den-
ken » (Ef. IH : 20); hij bad, dat (a) wanneer
Jezus kwam, {b) in Zijn Koninkrijk (nl.
op aarde). Hij dan (c) zijner zou gedenken;
hij ontving de belofte, dat hij (a) dien-
zelfden dag, (&) in het Paradijs, (c) zou
opgenomen worden 1
[Wie had gedacht, dat deze man, die om
zijne misdaden veroordeeld was, «naar
den hemel zou gaan»? Waarom was dit?
Omdat hij met zijn geheele hart berouw
had van zijne zonde en in Jezus geloofde.
Hoe weten wij dit? Ten l^« zien wij het
in hetgeen hij zeide (a) overtuiging van
zijne zonde en wat hij er door verdiende;
(6) dientengevolge zijne vrees voor God,
(c) de zekerheid, dat Jezus « niets onbe-
hoorlijks gedaan had », en dat Hij dus was,
waarop Hij aanspraak maakte (Gods Zoon,
de Zaligmaker, enz.), (d) het vertrouwen,
dat zelfs deze Gekruisigde eens als Koning
terug zou komen. Ten bedenk wan-
neer en waar hij dit zeide — toen al de
discipelen van Christus verstrooid waren
met de wanhoop in het hart — ten aan-
hoore van die spottende priesters en sol-
daten — toen was hij de eenige in de
geheele wereld, die zich aan Christus^
zijde schaarde! Denkt gij, omdat hij naar
den hemel ging, dat gij gered zult worden,
indien gij u op uw doodsbed bekeert? Dit
zal het geval zijn, indien alles alzoo ge-