Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXVII. DE KRUISIGING.
II.
359
Die terechtstelling, in een afgelegen
provincie van het Romeinsche Keizerrijk,
hoe weinig belangrijk werd zij toen geacht,
en toch was zij de grootste van alle ge-
beurtenissen — want wat beteekende zij?
Dat «God de wereld alzoo liefhad, dat
Hij Zijn eeniggeboren Zoon gaf» — met
welk doel?
Heden en aanstaanden Zondag zullen
wij onze gedachten bij dien plechtigen
eersten Goeden Vrijdag bepalen.
I. De weg naar Golgotha.
Zie dien optocht, (a) Romeinsche sol-
daten, met hun hoofdman. (6) Drie ter-
dood-veroordeelden, met houten kruisen
belast — de soldaten zien weinig verschil
tusschen hen — natuurlijk zijn zij geringe
slaven of eerlooze boosdoeners, indien
zij tot zulk een dood veroordeeld zijn
{zie Aant. 2); maar denkt aande^iüee —
wat waren zij? En de Eéne — wat was
Hij? (c) Eene groote menigte volgt hen —
priesters, uitgelaten van vreugde, dat zij
van hun vijand verlost zijn; en vrouwen,
weenende omdat de vriendelijke Leeraar
en Heelmeester moet sterven.
De twee kwaaddoeners kunnen hunne
kruisen gemakkelijk genoeg dragen; maar
Jezus — wat heeft Hij reeds ondergaan?
— een uur van zwaren strijd in Gethsé-
mané, smart over den afval der discipelen,
vermoeiende tochten van de eene plaats
naar de andere, geeseling, bespotting, een
doornenkroon — welke kracht kan in
dat lichaam overgebleven zijn? Hij heeft
de hulp van een ander noodig — van
wien? Niet één van hen wil het schand-
hout dragen — zij dwingen daartoe een
vreemdeling {Zie Aant. 5).
Waaraan denkt Jezus? Aan Zijn eigen
lijden? Zie, wat Hij tot de weenende vrou-
wen zegt (Luk., VS., 28—31). Hij ziet weder
vooruit, evenals vroeger (XIX : 41—44;
XXI : 6, 20—24), op de oordeelen, die
zullen komen over het volk, dat Hem
verworpen heeft, misschien over deze zelfde
vrouwen en kinderen {Zie Aant. 6). Indien
hunne tranen (ja, en ome tranen ook)
iets willen baten, moeten zij niet alleen
vloeien op het gezicht van Zijn lijden {zulke
tranen zijn natuurlijk genoeg), maar bij de
gedachte aan de zowde (oHze zonden), voor
welke Hij leed — dan zullen zij zeiven
(en wij) met waar berouw tot Hem komen
en veilo.«;t worden.
II. Het tooneel op Golgotha.
Zie drie groepen: —
(1) De soldaten. Sla hen gade — zij
ontdoen hunne slachtoflers van hunne
kleederen, leggen hen op het kruis, slaan
de nagelen in handen en voeten, lichten
de kruisen op en plaatsen ze in de gaten,
die er voor gemaakt zijn. Boven het hoofd
van ieder is een bordje, waarop de misdaad
geschreveti staat — wat staat op het mid-
delste ? {Zie Aant. 3). Daar zullen de lijders
achtergelaten worden, om den smartelijken
doodsstrijd te doorstaan en te sterven van
uitputting en lichaamspijn. Is dit niet wreed
en afschuwelijk? .Maar de soldaten hadden
het reeds dikwijls gedaan — zij. vonden
er niets aan — gehoorzaamden slechts aan
de bevelen. Zie hoe zij nu de kleederen
van de drie kruiselingen verdeelen —het
is een voordeel, dat hun toekomt — zij
zijn geheel onwetend van de verschrikke-
lijke zaak, die zij gedaan hebben.
(2) De overpriesters en het volk. De
priesters — welk eene zegepraal voor hen t
— drie dagen te voren had deze Nazarener
hunne zonde in den Tempel openbaar ge-
maakt — nu hangt Hij daar! Het volk —
sommigen hadden Zijne partij gekozen —
zij verbazen zich nu allen, dat zij ooit
zoo dwaas konden zijn om in Hem den
Messias te zien — wie kan zich een
Messias voorstellen, die als een- slaaf ge-
kruisigd wordt! Zie hoe zij Hem tergen