Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
352 LXXV. VOOR DEN STADHOUDER.
357
het vertrek van den Romeinschen stad-
houder Festus (de Fe-Jtus van Hand. XXV)
en de komst van zijn opvolger Alhinus,
liet het Sanhedrin Jakobus ter dood bren-
gen, om welke reden de toenmalige hooge-
priester (een zoon van Annas) afgezet werd.
Het steenigen van Stefanus was geene
wettelijke terechtstelling, maar een moord.
5. De Herodes, tot wien Jezus gebracht
werd, was Herodes Antipas, viervorst van
Galilea en Perea; zie aangaande hem Les
XVHI en XXXVHI. Het is duidelijk, dat
zijn geweten, hetwelk hem onder de pre-
diking en na den dood van Johannes den
Dooper gekweld had, spoedig geheel ver-
hardde door zijn volharden in de zonde.
Zijn wensch om Jezus te zien kwam blijk-
baar alleen uit nieuwsgieriglieid voort.
li. De kruisiging ging bij de Romeinen
altijd van de geeseling vergezeld (zie b.v.
Josephus, Antiq, V : II, I; Bell Jud.
n : 14, 19). Üe geesels, welke de Romei-
nen gebruikten, bestonden uit verscheidene
riempjes of touwtjes, waaraan stukjes
metaal vastgemaakt wareti, die het vleesch
op vreeselijke wijze verscheurden. Het
slachtotfer viel dikwijls Hauw en stierf ook
wel eens onder deze mishandeling.
7. Christus' eerste r/esprek met Pilatus
(Joh. XVIII : 33—38) kan aldus in het
kort uitgelegd worden:
De bedoeling van Jezus' vraag: «Zegt
gij dit van u zeiven, of hebben het u
anderen van Mij gezeird ?» schijnt geweest
te zijn om Pilatus tegen Zijne beschuldi-
gers te waarschuwen. « Is het waarschijn-
lijk, dat eenige opstand tegen de regeering
u onbekend zou zijn? En indien het u nog
niet ter ooren is gekomen, dat Ik er in
gewikkeld ben geweest, zijn dan deze aan-
klachten van de priesters geloofwaardig? »
Pilatus* antwoord komt hierop neer:
«Ben ik Jood? Wat heb ik te maken met
hutme dwaze denkbeelden omtrent een
te verwachten koning? Uw eigen volk
heeft U tot mij gebracht.» Het antwoord
van Christus: «Mijn Koninkrijk is niet
van deze wereld », en^. steMe Pilatus van
twee zaken op de hoogte: ten 1ste. dat
de aanspraken van Jezus, wat zij ook be-
teekenden, niet van dien aard waren, dat
hij er zich beangst over behoefde te maken,
d. w. z. niet in strijd met de Romeinsche !
wetten; ten 2de, dat Jezus in zekeren zin I
aanspraak maakte op eene macht en eene
heerschappij, die zelfs grooter waren dan
die van Rome. «Mijne dienaren» kan
moeilijk betrekking hebben op de disci-
pelen; eerder op de «dienaren, die Zijn
welbehagen doen », de « legioenen enge-
len n, waarvan Hij bij Zijne gevangenneming
gesproken had (Matth. XXVI : 53). Het
antwoord, dat Hij daarna op de verwon-
derde vraag van Pilatus: «Zijt gij dan een
K'tning?» geeft, bevestigt, dat hetgeen Hij
gezegd had, werkelijk waar was, omdat
Hij in de wereld was gekomen om der
waarheid getuigenis te geven; — de uit-
drukking «in de wereld gekomen » wijst
zelve reeds op eene hemelsche afkomst.
Dit vermelden van de «waarheid» was
een beroep op het zoeken en streven der
Heidensche wereld (zie 1 Cor. I : 22 —
«de Grieken zoeken wijsheid») en moest
naar alle waarschijnlijkheid aan Pilatus een
nog dieper indruk geven van de groot-
heid, waarop zijn gevangene aanspraak
maakte.
8. Aangaande het tweede gesprek tus-
schen Christus en Pilatus (Joh. XIX : 8
—11) kan opgemerkt worden, dat de uit-
drukking, die door de priesters wordt
aangehaald, «Gods Zoon», de gedachten
van Pilatus waarschijnlijk terugvoerde tot
de oude Heidensche godenleer, ten minste
in zooverre, dat bij hem het denkbeeld
ontstond: «Kan deze vreemde persoon
werkelijk een der goden zijn, die in de
gestaltenis eens menschen op aarde is ge-
komen?» (verg. Hand. XIV: 11); vandaar
zijne ontstelde en half bijgeloovige vraag:
«Van waar zijt gij?» Maar het stilzwijgen
van Christus gaf hem zijn Romeinschen
moed terug: «Spreekt gij tot myniet?«.
Zijn zeggen, dat hij macht heeft om te
kruisigen en los te laten, doet zijne onrecht-
vaardigheid aan het licht komen; indien
hij werkelijk macht had om iemand, van
wiens onschuld hij overtuigd was, los te
laten, waarum deed hij het dan niet? Het
antwoord van onzen Heer is bijzonder
treffend: «Ken Ik uwe macht? Ja, Ik
weet, dat gij tegen Mij in het geheel geene
macht hebt. Al uwe macht is van boven
(verg. Rom. XIII : 1). Maar gij weetniet
wat gij doet, en daarom, al zijt gij schul-
dig, is uwe schuld minder dan die van
Kajafas» (verg. Luk. XH: 47, 48, XXHI: 34).
De diepe indruk, welken deze woorden
op Pilatus teweegbrachten, blijkt uit de uit-
drukking van Johannes « van toen af zocht
Pilatus Hem los te laten», alsof zijne