Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
352
LXXV. VOOR DEN STADHOUDER. 356
en verheugd zal Barabbas geweest zijn —
losgelaten, terwijl een ander in zijne plaats
lijdt! Maar hij wist niet, tüie in zijne plaats
kwam — wij weten het — wat moeten
wij dan gevoelen? 2 Cor. V : 14; Openb.
V : 9.
Aanteekeningen.
1. De verschillende voorvallen van het
verhoor voor Pilatus, door de vier Evanjje-
listen vermeld, kunnen aldus gerangschikt
worden:
Het gezag van Pilatus voor de eerste
maal ingeroepen. Joh, (vs. 29—32).
Formeele t)eschuldiging. Luk. (vs. 2);
Matth. (vs. i1); Mark. (vs. 2).
Eerste gesprek tusschen Christus en
Pilatus. Joh. (33-38).
Vrijspraak. Verdere aanklachten. Jezus*
stilzwijgen. Matth. (12—14); Mark. (3—5);
Luk. (4—5).
De zaak aan het oordeel van Herodes
onderworpen. Luk. (6—12).
Weder voor Pilatus. Formeele vrijspraak.
Luk. (13—16).
«Jezus of Barabbas?» Boodschap van
de vrouw van Pilatus. Barabbas gekozen.
Matth. (15—21); Mark. (6—11); Lukas
(17—19); Joh. (39, 40).
«Kruis Hem!» Matth. (22,23); Mark.
(12-14); Lukas (20-23)
Pilatus wascht zich de handen. Matth.
(24, 25).
Het vonnis. Barabbas losgelaten. Jezus
gegeeseld en bespot. Matth. (26); Mark.
(15); Luk. (24, 25); Joh. (1—3).
Pilatus doet tevergeefs een beroep op
het medelijden der Joden. Tweede gesprek
van Christus met Pilatus. Verdere pogingen
van Pilatus. Laatste uitslag. Joh, (4—16).
Bovenstaande volgorde is in de Schets
aangenomen, behalve dat de boodschap
van de vrouw van Pilatus op eene andere
plaats is aangehaald om de getuigenissen
voor Christus' onschuld bijeen te brengen.
2. Pontius Pilatus was de zesde der
Romeinsche stadhouders van Judea; zie
Les X, Aant. 1. Hij bekleedde dit ambt
gedurende tien jaar, en wordt door Jose-
phus en Philo (die echter beiden Joden
waren) als een willekeurig en tyranniek
bestuurder beschreven. De bedreiging der
Joden, om hem bij den keizer aan te
klagen, was niet zonder beteekenis, want
hij werd ten laatste naar Rome terugge-
roepen, en naar Vienne in Gallië verban-
nen, waar hij zich om het leven bracht.
Volgens de overlevering heette zijne vrouw
Claudia Procula.
3. Het is onzeker wa^r het verhoor van
Jezus plaats had. Sommigen denken, dat
Pilatus den burcht Antonia, aan de noord-
zijde van den Tempel, bewoonde, en dat
Herodes in het prachtige paleis van zijn
vader. Herodes den Grooten, op den berg
Zion, woonde. Anderen denken, dat Pilatus
zijn verblijf had in het paleis (van Jose-
püus weten wij, dat dit bij sommige Ro-
meinsche stadhoudei^s het geval was) en
Herodes ergens anders. Het « rechthuis »
(Joh. XVIII : 28, 33; Matth. XXVH : 27)
is letterlijk het Pretorium, d. i. het hoofd-
kwartier der krijgsmacht, hetgeen ons
geene aanwijzing geeft ten opzichte van
de plaats, omdat dit natuurlijk overal was,
waar Pilatus zijn verblijf had. De naam
« Lithostrotos » (Joh. XIX : 13) doelt waar-
schijjj lijk op een plaveisel van tegels, die
weggenomen en weder neergelegd konden
worden, telkens wanneer er eene rechter-
lijke uitspraak gedaan moest worden, het-
geen altijd in de open lucht plaats had.
De overpriesters, vreezende door het
betreden van een Heidensch huis veront-
reinigd te worden (waar natuurlijk de
zuurdeesem niet voor het Paaschfeest
verwijderd was), bleven buiten staan, waar-
schijnlijk op eene open plaats tegenover
het gebouw. Pilatus kwam tot hen uit,
maar nam Jezus met zich mede naar bin-
nen om Hem te ondervragen. De geeseling
had ook daarbinnen plaats, en naderhand
kwam Jezus uit en werd aan het volk
voorgesteld met het purperen kleed aan
en de doornenkroon op het hoofd.
Zie over de reden, die aangevoerd wordt
voor de vrees der priesters om verontrei-
nigd te worden, « opdat zij het Pascha eten
mochten », Aanhangsel XH, blz. 330.
4. De toepassing van de doodstraf was
reeds sedert eenigen tijd aan het Sanhedrin
ontnomen. Vandaar, dat zij zich tot Pilatus
wendden; hetgeen, zooals Johannes op-
merkt (XVIH : 32), Jezus* eigen voorspelling
tot vervulling deed komen. nl. dat Hij
«verhoogd» (Joh. IH : 14, VIH : 28, XH :
32, 33) zou worden, d. w. z. gekruisigd —
daar de kruisiging eene Romeinsche en
niet eene Joodsche straf was. In een later
tijdperk, gedurende den tusschentijd van