Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
352
LXXV. VOOR DEN STADHOUDER. 352
gelijk deze) moeien ontleend worden aan Zijne zachtmoedigheid, zooals in de
Schets gedaan wordt, en niet aan Pilatus' wankelmoedigheid en onrecht-
vaardigheid.
Wanneer men bij de voorbereiding de Schets leest, sla men gedurig het
oog in een geopenden Bijbel, dien men bij de hand heeft, anders zal de
beteekenis van vele zinsneden verloren gaan. Bij het overgaan van hel ééne Evan-
gelie naar het andere zal Aant. 1 van veel dienst zijn.
Geen der Evangeliën kon aangegeven worden voor het «lezen d. Bij oudere
klassen zal het verhaal van Johannes de be.ste grondslag zijn, omdat meer
gevorderde leerlingen zich een begrip kunnen maken van Jezus' gesprekken
met Pilatus. Het Evangelie van Lukas kan misschien het best gevolgd worden,
wanneer deze gesprekken niet worden behandeld.
Wij wenschen hier ook een wenk te geven aan de onderwijzers der jongste
klassen. Velen zouden misschien niet van de Priesters en Pilatus spreken,
maar alleen van «eenige booze menschen» en cc een slechten man». Zonder
twijfel is het moeilijk om ook maar het geringste begrip van hunne betrekking
onderling te geven; maar deze moeilijkheid is van minder beteekenis dan dat
belangrijke personen op onbestemde wijze aangeduid worden. Het is beter,
dat een kind niet begrijpt wat Pilatus was, dan dat het den naam van Pilatus
in het geheel niet hoort.
Schets van de Les.
In de Geloofsartikelen wordt de naam
van één man genoemd— ? «Geleden onder
Pontius Pilatus ». Wie was hij? Luk. IH : 1
{zie Aant. 2) — hij was door den Ro-
meinschen keizer aangesteld om de afge*
legen provincie Judea te besturen. Eene
moeilijke taak, een lastig volk — waarom?
De Joden konden geene vreemde over-
heerschers uitstaan — zij verlangden er
altijd naar, dat de Messias zou komen,
om hen te verlossen (zie Hand. I : 6).
Cesaréa was de Romeinsche hoofdstad,
maar Pilatus was verplicht om gedurende
het Paaschfeest met eene buitengewone
krijgsbende te Jeruzalem te zijn, opdat
de menigten het niet in den zin zouden
krijgen om op te staan.
Dienzelfden Paaschnacht heeft Pilatus
eenige soldaten aan de overpriesters afge-
staan voor een middernachtelijken tocht,
om een (naar zij zeggen) gevaarlijken man
Les LXXHI). Pilatus wordt niet meer lastig
gevallen — de nacht gaat rustig voorbij.
Maar in den vroegen morgen wordt hij
geroepen om buiten te komen — eene
zaak van groot gewicht, waarvan dadelijk
werk gemaakt moet worden. Zie wat deze
is en hoe hij er zich van kweet,
L De Schuldelooze valschelijk
beschuldigd. Joh. XVIH: 28—38; Luk.
XXHI: 1—3; Matth. XX VH: 11—14; Mark.
XV : 2-5.
Pilatus ziet onmiddellijk, dat er iets
gaande is — hij herkent de oversten van
het Joodsche volk — wat kan de aanlei-
ding zijn, dat zij met zooveel haast tot
hem komen — en dat wel op een hunner
heilige dagen? Zij hebben zeker den man,
van wien zij spraken, gevangengenomen —
en hij moet wel zeer gevaarlijk zijn! Hij
ziet op den gevangene — ja, hij is stevig
gebonden — maar is dat gelaat het gelaat
gevangen te nemen. Wie was dat? (Zie I van een woesten boosdoener of oproer-