Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
350
LXXIV. VOOR DEN RAAD.
indien wij dienzelfden Heiland verwer-
pen? «Gij dan, zulks te voren wetende,
wacht u, dat gij niet» — wat? 2 Petr.
m : 17, 18.
Aanteekeningen.
1. De Evangelisten vermelden drie ver-
schillende keeren, dat Christus door de
Joodsche oversten verhoord werd; deze
moeten zorgvuldig onderscheiden worden.
Johannes spreekt van een voorloopig ver-
hoor, eerdat het Sanhedrin was vergaderd,
dat blijkbaar ten doel had om Hem eenige
bekentenis te ontlokken, hetzij aangaande
Zijne volgelingen, hetzij aangaande Zijne
leer (XVIII : 19). Mattheus en Markus
geven verslag van het geregeld verhoor,
onder voorzitterschap van Kajafas. Lukas
vermeldt slechts eene bijeenkomst van het
Sanhedrin, «als het dag geworden was»,
welke overeen schijnt te komen, niet met
het verhoor zelf, maar met de daarop-
volgende beraadslaging, die, volgens Mat-
theus en Markus, ook in den morgen plaats
had. Daar een verhoor des nachts zonder
twijfel onwettig was, schijnt het, dat deze
tweede bijeenkomst met zonsopgang ge-
houden werd, om het voimis op wettige
wijze te bekrachtigen, en de beste mid-
delen, om het ten uitvoer te brengen, te
bespreken: en daar deze vergadering waar-
schijnlijk beter bezocht was (zie Mark.
XV : 1 «de geheele raad»), is er niets
vreemds in, dat de beslissende vragen
weder aan Jezus werden gedaan, opdat
Zijne «godslastering» door de nieuwaan-
gekomenen gehoord werd.
2. Men heeft er veel over getwist of het
voorloopige verhoor, door Johannes ver-
meld, voor Annas of Kajafas was, daar zijn
verhaal op dit punt niet duidelijk is. De.
meeste der beste schrijvers houden het
er voor, dat Annas ondervroeg. De argu-
menten aan weerszijden zijn zeer omvang-
rijk en kunnen hier zelfs niet in het kort
ofigenoemd worden; maar wij kunnen
toch doen opmerken, dat Joh. XVHI : 24
waarschijnlijk (noch de lezing noch de
beteekenis is geheel zeker) vertaald moet
worden: n Dus zond Annas Hem», enz.;
hetgeen bijna uit zou maken, dat het
verhoor bij Annas was. Ofschoon Kajafas
op dat oogenblik hoogepriester was, be-
hoorde het ambt rechtens aan Annas;
verg. Les LXVIII, Aant. 2.
De schijnbare moeilijkheid, welke hier-
door ontstaat aangaande de plaats, waar de
verloocheningen van Petrus geschiedden,
wordt aldus verklaard: Annas en Kajafas
woonden heiden in het huis van den hooge-
priester. Het « zenden » van Jezus door den
eerste naar den laatste was slechts het zen-
den van uit de vertrekken van Annas aan
eene zijde van de binnenplaats, naar de zaal,
waarin het verhoor plaats had, aan de
andere zijde. Sommigen denken, dat Jezus,
tusschen de verhooren in, op de binnen-
plaats zelf wachtte, en dat aldaar het derde
verhoor gehouden werd en Hij Petrus
aanzag.
3. <ilk bezweer u bij den levenden God
Dit was de gewone, wettelijke formule voor
het opleggen van den eed, en was verbin-
dend voor getuigen, zelfs al antwoordden
zij niet. «Gij hebt het gezegd» QAdXih.)e\\
«Gij zegt, dat Ik het ben» (Lukas) zijn
eenvoudige Joodsche wijzen van bevestiging
en staan gelijk met «Ik ben het» (Mark,).
4. De «Tempel», waar Judas de over-
priesters zocht, was de voeoi {naos\ dat is,
het heiligdom zelf, waar niemand anders
dan de priesters mochten komen.
Het Grieksche woord voor «berouw»
is niet het gewone; en Judas'berouw was
natuurlijk alleen wroeging. «Berouw komt
nooit te laat», wanneer het waar berouw
is; maar het is te vreezen, dat een laat
berouw, wanneer het uit de vrees voor
gevaar of dood voortkomt, zelden waar is.
5. Het verhaal van den dood van Judas
in Hand. I verschilt van dat van Mattheus.
Gewoonlijk worden zij met elkander over-
eengebracht door de veronderstelling, dat,
in zijne poging om zich op te hangen,
de verrader over de steile rotsen viel, en
verbrijzeld werd, zooals in de rede van
Peti'us gezegd wordt.
De «akker des pottenbakkers» werd door
de overpriesters met het terugontvangen
geld gekocht, maar Petrus, gebruik ma-
kende van een gewoonspraakfiguur, schrijft
den koop aan Judas toe en bedoelt daar-
mede, dat alles, wat hij voor «het loon
der ongerechtigheid» verkreeg, een sma-
delijke dood was op de plaats, waarvoor
het geld zelf naderhand gegeven werd. De
naam, die aan den akker gegeven werd,
Akeldama, was eene dubbele herinnering