Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
1()
IV. DE GE1300RTE VAN JEZUS CHRISTUS. 37
wijze uitgewerkt, en de onderwijzer zal opmerken, dat tot uitgangspunt ge-
nomen is de vraag: «Wist iemand wie het Kind was?» De Les blijft toch
haren eenvoud behouden, maar dat moet ook zoo zijn.
De tweede toepassing is een proeve van de wijze, waarop de taal bij het
onderwijs vereenvoudigd moet worden. Wij spreken van de ctdrijfveeren» en
het «doel» van Christus; tegen kinderen zeggen wij liever: aHoe kwam Hij er
toe, en waarom deed Hij het?»
Schets van de Les.
Indien gij te Jeruzalem waart, zoudt
gij eene schoone wandeling kunnen doen
over de heuvelen, naar het Zuiden toe, en
wanneer gij zes mijlen ver gegaan waart,
zoudt gij aan eene vriendelijke stad komen,
die op een van de heuvelen ligt, en oost-
waarts een fraai uitzicht heeft over de
woestijn van Juda {wijs op de kaart; Zie
Aant. 3). Wie had daar vroeger gewoond?
Ruth I; 1 Sam. XVI.
Bethlehem vol menschen — van alle
kanten gekomen — vele blijde ontmoe-
tingen. Met welk doel gekomen {Lees
vers I —7) ? De keizer van Rome (zie Les
III, Aant. 2) hield eene volkstelling van
al zijne onderdanen, en nu moesten de
menschen beschreven worden op de plaats,
waar hunne voorvaderen gewoond hadden
{zie Aant. 2). Diegenen, welke geen vrien-
den hebben om hen te herbergen, zoeken
een onderkomen in het groote gebouw,
dat voor reizigers bestemd was {zie Aant.
4) en dit is spoedig vol.
Er komen nog een man en vrouw, die
geheel uit Galilea zijn gereisd om hier
beschreven te worden. Waarom? vers 4.
{zie Aant. 2). Er is geen plaats voor
hen, behalve waar de paarden en ezels
hun verblijf hebben — donker, vol,
rumoerig, ongemakkelijk [Zie Aant. 4]
En daar wordt *s nachts een kindje ge-
boren. Er is geen wieg — waar moet het
liggen ?
"Wie was dat kindjeP {Verwijs
naar Les I). Wist iemand, dat het God
de Zoon was, die op de aarde kwam ?
1. Jozef en Maria uJisien Aef. Hoe wis-
ten zij het? Wie had het hun verteld?
Wat was hun gezegd? Zie Luk. I : 42.
Niemand anders op aarde wist het. Maar —
2. De Engelen in den hemel wisten
het. Hoe verrast moeten zij geweest zijn!
Hun Koning, zoo groot en zoo hoog ver-
heven, dat zij nauwelijks tot Hem op
konden zien (Jes. VI : 1—3; verg. Joh.
XII : 41). een aweinig minder» (Hebr.
H : 9) dan zij zeiven gemaakt. Zij ver-
slonden het niet geheel (1 Petr. 1:12),
toch konden zich verheugen en zingen.
Waarom? Lees wat zij zongen, vers 14.
a. Zij wisten, dat het aan Goi £ere zou
geven — door Zijne macht, wijsheid en
liefde te toonen (Ps. XXXV: 10; 1 Cor.
I : 24; 1 Joh. IV : 6). Zij hadden God
lief — wenschten dat Hij geëerd werd —
daarom waren zij verheugd.
b. Zij wisten, dat het avrede op aarde»
zou brengen — vrede tusschen de men-
schen en God (Rom. V : 1) — vrede in
het hart der menschen (Phil. IV : 7) —
vrede onder de menschen (Ef. IV : 32).
Zij kenden de vijandschap tegen God
(Rom. VIII : 7), de ellende der ziel (Jes.
LVII : 20, 21), «de nijdigheid, boosheid,
kwaadheid en liefdeloosheid» (Rom. I :
29—31) in de wereld. Zij verlangden er
naar, overal vrede te zien — dus ver-
heugden zij zich.
. c. Zij wisten, dat door dat kindeke «Gorf
in de menschen een iveWehagen» zou