Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
348
LXXIV. VOOR DEN RAAD.
onze rechters eene zitting hebben, wat is '
dan hunne begeerte? Om de gevangenen
zoo snel mogelijk te veroordeelen, omdat
zij hen haten? Juist het tegendeel —hoe
geduldig zijn zij, hoe gereed om alles te
hooren, wat voor den gevangene pleit!
Zij verheugen zich, indien hij onschuldig
verklaard wordt. Zoo wenscht God, dat
alle rechters zijn, Deut. XVI : 18. Welk
een verschil met deze Joden! Zij hebben
slechts ééne gedachte: «Hij moetsterven,
op welke wijze ook!» Zie wat hun groote
aanvoerder Annas doet, zelfs voordat zij
bijeenkomen. Joh. XVIH : 13,19 (Zie Aant.
1, 2). — Hij ondervraagt Jezus in 't bij-
zonder — tracht Hem iets te ontlokken,
dat als eene beschuldiging tegen Hem ge-
bruikt kan worden. Hoe gelukt het hem?
vers 20, 21 — Jezus heeft niets te zeg-
gen dan hetgeen zij reeds weten — Hij
heeft «altijd openlijk gesproken» — Hij
is geen geheime samenzweerder. Zij moeten
dus getuigen oproepen.
2. De getuigen. Welke soort van ge-
tuigen wordt geroepen? Allen, die iets
van den Gevangene weten ? Welke bewijzen
zouden dan gegeven kunnen worden! —
zij, die eens blind, lam, ziek waren, zij
zullen getuigen van Zijne liefde en macht.
Zou dit dezen rechtvaardigen rechters
bevallen? Zij dragen wel zorg, dat er geene
getuigen voor de verdediging opkomen.
Welke soort dan? Hebben zij ware getui-
genis tegen Hem? Deze is niet te vinden^
vers 55. Zij moeten leugenachtige getuigen
zoeken, die valsche eeden doen! (Verg. 1
Kon. XXI : 10; Ps. XXXV : 11; Hand.
VI : 11). En zelfs dan — a wordt er geene
gevondene (Mattheus). Er zijn genoeg
getuigen, maar zij zijn niet eenstemmig —
en wat moeten zij noodzakelijk hebben?
Deut. XVII : 6. Slechts ééne zaak wordt
aangevoerd — en dat is een gezegde van
drie jaar geleden!
3. De Gevangene. Hij wordt opgeroepen
om tot Zijne verdediging te spreken —
wat zegt Hij? vers 61 — waarom zou
Hij antwoorden, wanneer er op niets te
antwoorden is? Er was geene «getuigenis»
in de lasteringen, dus was het niet de
moeite waard er acht op te slaan; maar
toch, hoe smartelijk voor Hem! zie Spr.
XVHI : 8; welk een geduld had Hij noodig
om het te dragenI 1 Petr. II : 19—23;
en zie ook hoe geduldig Jezus reeds ge-
weest was voor Annas, Joh. XVHI: 22,23—
wat was moeilijker te dragen dan zulk een
slag! Toch deed Hij, wat nog moeilijker is
dan zwijgende onderwerping — Hij be-
strafte met zachtheid! Maar nu zal Hij
zich openlijk verklaren, vers 61, 62. Kajafas
was zeer toornig geworden, toen hij zag,
dat het hem niet gelukte Jezus van schuld
te overtuigen — hij staat op van zijn
zetel — hoe moet hij trachten iets uit Zijn
eigen mond te vernemen; — op Zijne be-
zwering {zie Aant. 3) of Hij « de Christus,
de Zoon van God is», antwoordt Jezus,
opdat de Joden nog ééne duidelijke getui-
genis hebben, en niet zullen kunnen zeggen
«Wij wisten er niets van» — «Ik ben
het»! En het is ivaar: want welk mensch
zou op zulk een gevaarlijk oogenblik zijn
leven wagen om eene valsche aanspraak te
maken? Hij zegt nog meer: « Gij zult zien »
— wat? Zij kennen de profetie van Daniël
(VH : 9—14) — Hij is die « Zoon des Men-
schen ». Denk aan het verschil van plaats —
dan zou Hij op den rechterstoel zitten —
zouden zij voor Zijne rechtbank staan!
4. Het oordeel. Zullen zij zich niet aan
Zijne voeten werpen en Hem als den
Messias aannemen? Wat doen zij echter?
«Schuldig» — «des doods» — waarom?
«Godslastering» (zie Lev. XXIV : 16) —
evenals vroeger (Joh. X : 33) «Gij, een
mensch zijnde, maakt u zeiven God».
Wat was het werkelijk? Hij, God zijnde,