Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
346
LXXIV. VOOR DEN RAAD.
somtijds voor de open plaats in het midden
wordt gebruikt, rondom welke de voor-
naamste kamers gelegen waren, en welke
gemeenschap had met de straat door een
gang, de «voorzaal», die hier vermeld
wordt. Verg. Les XXV, Aant. 3. Het vuur,
om hetwelk de dienstknechten en krijgs-
lieden zich verzamelden, was op de open
plaats, en het verhoor van Jezus werd
gehouden in een van de groote kamers,
die er op uitkwamen, en die twee of drie
treden hooger lagen; hetgeen verklaart,
waarom er van Petrus gesproken wordt
als abenedenn (Markus) zijnde en «buitenn
(Matth.) zittende.
6. De schijnbare afwijkingen in de vier
verhalen van de verloochening van Petrus
zijn gemakkelijk te verklaren, indien wij
bedenken, dat de drie betuigingen niet eene
enkele verklaring waren, die hij aan één
beschuldiger gaf. Bij elke gelegenheid zullen
er weer andere beschuldigingen en andere
ontkenningen geweest zijn.
(a) De vier Evangelisten stemmen over-
een, dat de woorden eener dienstmaagd
aanleiding gaven tot de eersfe loochening;
Markus en Lukas voegen er bij, dat het
bij het vuur gebeurde, en Johannes, dat
zij de deurwaarster was, die Petrus her-
kende, daar hij met hem (Johannes) ge-
komen was.
(&) Van Mattheus en Markus hooren wij,
dat de tweede loochening plaats had in
de « voorzaal», uitgaande naar de «voor-
pooit» (Zie Aanl.^y Mattheus zegt «eene
andere dienstmaagd beschuldigde Petrus» ;
Markus, dat het « de dienstmaagd » was,
nl. dezelfde, die te voren gesproken had;
Lukas, dat het « een ander » (in het man-
nelijk)was, en Petrus antwoordde: «Mensch,
ik ben niet»; terwijl Johannes de drie
gezegden vereenigt, door te vermelden: «zij
zeide tot hem h.
(c) Mattheus, Markus en Lukas stemmen
overeen, dat de derde loochening uitge-
lokt werd door de toespeling op Petrus'
provincialen tongval, en Lukas voegt er bij,
dat het «omtrent een uur geleden was ».
Johannes verhaalt hier een verschillend en
zonder twijfel gelijktijdig voorval, nl. de
herkenning van Petrus door een bloed-
verwant van Malchus. Markus, de eenige,
die verhaalt (XIV : 30), dat Jezus voor-
zegd had, dat de verloochening plaats zou
hebben eerdat de haan hweenma/gekraaid
had, is ook de eenige, die melding maakt
van het eerste kraaien. Waarschijnlijk
merkte Petrus het toen niet op; maar het
feit, dat zijn oor het had waargenomen,
kwam hein voor den geest na het tweede
gekraai; en zonder twijfel is het zijne
persoonlijke herinnering, welke Markus
verhaalt,
In Luk. XXII : 55, 56 is het woord
«vuur» eene vertaling van twee verschil-
lende Grieksche woorden (wt/p, pwr,
phoos). Het laatste is eigenujk licht en
wordt op andere plaatsen altijd zoo vertaald;
en blijkbaar duidt het aan, dat Petrus her-
kend werd, doordat het licht van het vuur
op zijn gelaat viel: «eene zekere dienst-
maagd, ziende hem bij het licht zitten,
hield hare oogen op hem».
De Galileesche spraak was hieraan te
kennen, dat de keelklanken niet goed
konden worden uitgesproken en gewoonlijk
een « t» voor een « s » werd gebruikt.
Les LXXIV. — A oor den Raad.
«En zij allen oordeelden Hem des doods schuldig te zijn».
Te lezen — Mark. XIV : 55—65; Matth. XXVII : 1—5; (uergr. Matth. XXVI: 57-68;
Luk. XXH : 63—71; Joh. XVIII : 19—24).
Te leeren — Hand. XIII : 27, 28; Mark. XIV : 64. (Gez. 119 : 5; Gez. 3 : 5).
Voor den Onderwijzer.
De eerste tekst, die opgegeven is om te leeren, is een zeer goed uitgangspunt
voor deze Les. Indien de leerlingen hem juist opgezegd hebben, zal de
vraag aangaande de «stemmen der profeten» daar natuurlijk op volgen. Deze