Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LXXIII. VERRADEN, VERLATEN EN VERLOOCHEND.
343
Hoe lankmoedig was Christus met hem
geweest! Nu verraadt hij zijn besten Vriend
— meer dan een Vriend, zijn Zaligmaker
en God — en met een kus, onder den
schijn van liefde en eerbied! Zeker een
schaamteloozer kus dan die van Joab (2
Sam. XX : 9, 10). (&) Jezus — ontvangt
dezen kus! Wie zou zich niet met smart
en afschuw afgewend hebben? Maar Hij
niet — waaraan had Hij Zijnen discipelen
geboden zich te onderwerpen? Matth. V:
39 — maar deze kus was erger dan een
slag.
II. Christus door de Elven ver-
laten.
Wend u nu weder tot de discipelen.
Kunnen wij ons eene voorstelling maken
van hetgeen zij voelen? Eerst schrik bij
het zien der vlammende fakkels en ilikke-
rende zwaarden — hunne vijanden hebben
hem nu eindelijk in hunne macht! Dan
verbazing, wanneer zij den aanvoerder
bemerken — nu is het geheim verklaard
— Judas is de verrader! Dan zegepraal
— met éénen blik heeft de Meester Zijne
vijanden terug geslagen. Dan verontwaar-
diging over den kus. Dan onzekerheid —
zie, Hij laat toch toe, dat zij Hem grijpen!
Dan schaamte over hunne lafhartigheid,
«zullen wij met het zwaard slaan?» {Lukas).
Dan slaat Petrus — en hieruit blijkt weer
zijn geheele karakter — in het wilde naar
dengene, die het dichtst bij hem staat —
zijn zwaard zal toch zeker menschen neer
kunnen vellen, die op een blik ter aarde
vielen!
Maar nu verliezen zij geheel den moed —
Hij wil genomen worden! want wat zegt
Hij? zie Matth. XXVI : 53 ~ indien Hij
wenschte weerstand te bieden, dan kan
Hij machtiger hulp krijgen dan het zwaard
van Petrus {Zie Aant. 1). Waarom zoude
Hij niet de legerscharen der engelen op-
roepen, die slechts op Zijne bevelen wach-
ten? Zie het volgende vers — Hij moet
de beloften, die God lang geleden gedaan
heeft, vervullen (o. a. Jes. LIII : 7, 12),
dienzelfden beker, waarvoor Hij terug-
deinsde {zie vorige Les), is Hij nu besloten
te drinken. En zie — om aan allen te toonen
hoe Hij «als een lam ter slachting» wil
gaan (zie ook Joh. X ; 18), doet Hij een
wonder! (Lukas) — het laatste — een
werk van barmhartigheid jegens een vij-
and (zie Matth. V : 44); een- werk van
almacht zelfs wanneer Hij « gegrepen » is!
Kan Malchus voortgaan na deze twee za-
ken, den en de aanrafeingr van Jezus?
Hoe betuigt hij zijne dankbaarheid voor
dat bewijs van genade? Joh. XVHI: 12 —
de barmhartige Heelmeester wordt met
touwen gebonden als een dief!
Waarom kunnen de discipelen niet, even-
als hun Meester, kalm, onderworpen,
moedig zijn? Wij hebben de reden hiervan
in de vorige Les gezien — welke was die?
Hij had gebeden, zij hadden geslapen; en
nu zijn Zijne woorden bewaarheid — zij
denken niet meer aan Hem — zij zyn
allen met zichzelven bezig — zie hoe zij
in alle richtingen vluchten.
m. Christus door Petrus ver-
loochend.
Twee der vluchtelingen zijn spoedig
beschaamd over hunne lafhartigheid — zij
hebben den moed om terug te keeren —
zij volgen de bende, die met haast naar
de stad gaat — tot aan het paleis des
hoogepriesters. Welke twee? Hoe kunnen
zij binnenkomen? Joh. XVHI : 15, 16.
Een groote binnenplaats (zie Aant. 5) —
kamers er omheen, die er alle op uitzien —
aan eene zijde de zaal, waarin Christus
verhoord moet worden. De plaats is vol
dienstboden en krijgsknechten — zij zullen
dien nacht niet kunnen slapen — zij ver-
eenigen zich dus om het vuur (/o/i.) — de
flikkerende vlammen beschijnen hun gelaat.