Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
340
LXXII. IN GETHSÉMANÉ.
is echter twijfelachtig of dit de ware lig-
ging van den ouden hof is. De nieeste
reizigers denken, dat zulk eene afgezon-
derde plaats hooger op den berg moest
liggen, ver van alle openbare wegen. Al-
leen Johannes vermeldt, dat het een hof
(of boomgaard) was; Lukas, dat het op
den Olijfberg was; Mattheus en Markus
noemen den naam Gethsémané(d. i. olijven-
pers). Het woord, in Joh. XVIII : 1 met
« beek » vertaald, beteekent letterlijk een
winterstroom; hetgeen zeer juist is, daar
de Kedron negen maanden van het jaar
droog is.
•2. Over den zielestrijd van Christus ont-
leenen wij nog het volgende aan Thom-
son's werk over den«Dood van Christus »: —
«De Verlosser schijnt hier ten prooi
aan eene ellende, waarvan menig marte-
laar vrij is geweest, geheel verslagen door
een vooruitzicht, hetwelk een Stefanus,
een Ignatius, een Johannes Huss zonder
angst te gemoet zagen. Indien er van niets
meer sprake was dan van den dood, dan
zouden wij een voorbeeld verwachten van
kalm vertrouwen op de hulp Gods, die
tegenwoordig was. Maar wij vinden den
onverklaarbaren doodsangst, het bloedige
zweet, het gebed om verlossing: alle ver-
sterkende en rustgevende invloeden schij-
nen voor een tijd onttrokken te zijn aan
Hem, die er, gedurende Zijn leven, zoo
voortdurend de werking van ondervond.
Wij verwonderen ons, dat de vloek van
ons geslacht in al Zijre werkelijkheid moest
rusten op den zondeloozen en Goddelijken
Zoon. Toch is hier de beschrijving van
Zijn grooten strijd. Wij kunnen ons niet
ontveinzen, dat deze betrekking heeft op
Een, die geheel verslagen is, ten prooi
aan eene verbrijzeling van geest, welke
onze bevatting te boven gaat.... Indien
wij met een Apostel gelooven, dat God
Hem zonde voor ons gemaakt heeft, Hem,
die geen zonde kende, opdat wij zouden
worden rechtvaardigheid Gods in Hem,
dan worden de afschrik en de zielestrijd
ons verklaarbaar. Al de verborgen afschu-
welijkheid der zonde wordt Hem geopen-
baard. Zonde, in al hare naaktheid, is af-
schuwelijker dan dood. En Hij ziet haar,
zooals zij is; de godslasterlijke zelfaanbid-
ding, waarin zij bestaat; de opstand tegen
God, de verbreking der gestelde orde, de
dood in het leven. En al deze zonde komt op
Hem neer, ofschoon Hij er onschuldig aan
is.... De woorden van den Heer op het
kruis zijn een echo uit dezen hof: Waarom
hebt Gij Mij verlaten f Deze woorden
drukken een gevoel uit van door God over-
gelaten te zijn: zij kunnen geene andere
beteekenis hebben.... Zij worden door
Hem uitgesproken niet als door den Zoon
van God, maar als beladen met de zonden
der wereld. Zij drukken misschien de vol-
komen scheiding uit, welke de zonde tus-
schen den mensch en God maakt. Hij is
de Voorspraak van het geheele mensch-
dom; en daar de menschen door de zonde
van God gescheiden zijn, strekt zich deze
scheiding ook voor een tijd tot Hem uit.
Het blijkt dus, dat de vraag of men zeggen
kan, dat de toorn Gods op den Zoon gerust
heeft, geene betrekking heeft op woorden,
maar op feiten. Jezus leed in waarheid al
deze dingen, die de duidelijke teekenen
van toorn tegen ons zijn».
Hieraan kan toegevoegd worden, dat
het bijzondere gewicht van den doodsstrijd
in Gethsémané hierin bestaat, dat er geene
uiterlijke zaken waren, die er eene ver-
klaring aan konden geven. Er was niet,
evenals bij de soortgelijke verslagenheid,
die uit den uitroep van den Heer op het
kruis bleek, eene lange reeks van mis-
handelingen, van lijden en schandelijke
bejegeningen aan voorafgepan. Daarom
was het hier enkel zielelijden; en er is
geene andere verklaring aan te geven,
dan dat het veroorzaakt werd door den
verborgen last van de zonde eener geheele
wereld.
3. « Zijn zweet werd gelijk groote drop-
pelen bloeds». Geneesheeren, op wier ge-
tuigenis te vertrouwen is, hebben in eenige
zeldzame gevallen van zeer grooten ziels-
angst gezien, dat er, met het zweet, ook
bloed uit de huid werd geperst. Alford
haalt een geval aan van Noorsche zee-
lieden, bij wie dit plaats had in een vree-
selijken storm. Het zielelijden van den Heer
wordt op treffende wijze aangetoond door
het feit, dat, in de open lucht en in een
kouden nacht. Zijn gelaat met zweet was
bedekt (Zie Joh. XVHI : 18). Het is op-
merkenswaard, dat de omstandigheid alleen
door Lukas, den geneesheer, wordt ver-
haald.
4. « Neem dezen drinkbeker van Mij
weg De « drinkbeker » is een Oud-Testa-
mentisch beeld voor iemands toegewezen
deel, hetzij aangenaam (Ps. XVI: 5, XXIH.